Geplaatst op: Maandag 07 maart 2016

Let op bij opvolgend vervoer onder de CMR!

Dat transportbedrijven aan de lopende band het vervoer aan elkaar uitbesteden is geen nieuws. Weinig vervoerders zullen zich dan realiseren dat er sprake kan zijn van opvolgend vervoer. Hiervoor geldt een aparte regeling in de CMR die in de praktijk veel vragen oproept. Een onderdeel hiervan vormt een regresregeling die vervoerders helpt om de schade op elkaar te verhalen. Door een uitspraak van de Hoge Raad is de toepassing van het opvolgend vervoer sterk uitgebreid. Vervoerders die veel in opdracht van andere vervoerders rijden moeten hier scherper dan voorheen op letten.

Wat is opvolgend vervoer?

Onder de CMR is er sprake van opvolgend vervoer als het vervoer op grond van één overeenkomst wordt uitgevoerd door meerdere wegvervoerders die van elkaar de goederen en de vrachtbrief in ontvangst nemen. Als gevolg hiervan wordt ieder van de opvolgende vervoerders partij bij de vervoerovereenkomst en aansprakelijk voor de uitvoering van het gehele vervoer. De afzender heeft dus de mogelijkheid om meerdere vervoerders aan te spreken, ongeacht door wie de schade is veroorzaakt. Dat kan in de praktijk wel eens handig zijn, als een van de vervoerders niet kan of wil betalen. Bij het ‘normale’ ondervervoer, waarbij er ook sprake is van uitbesteden door vervoerders onderling, kan de afzender alleen zijn wederpartij aanspreken, zijnde de hoofdvervoerder en niet de ondervervoerder.

Vervoerders kunnen bij opvolgend vervoer gebruik maken van een regresregeling. Hiermee kunnen vervoerders de schade op elkaar verhalen, zonder dat dit opnieuw tot ellenlange procedures leidt. De vervoerder die de feitelijke schade heeft veroorzaakt, heeft namelijk niet meer het recht zich hier tegen te verzetten op voorwaarde dat de schadevergoeding is vastgesteld door de rechter, en de vervoerder hiervan tijdig in kennis is gesteld en de mogelijkheid heeft gehad zich hiertegen te verweren.

Wel of geen opvolgend vervoer?

Tot zover de theorie, nu de praktijk, waarbij u zelf mag bepalen of er volgens u sprake is van opvolgend vervoer.

Eerst de feiten. Computerfabrikant HP gaf opdracht aan de Duitse vervoerder TransOFlex voor het vervoer van computerapparatuur van Nederland naar Duitsland. TransOFlex deed het vervoer niet zelf, maar contracteerde hiervoor Beurskens die het weer uitbesteedde aan Veldhuizen. Veldhuizen haalde de goederen op. Bij het overstaan in het weekend werd een deel van de lading gestolen. TransOFlex en Beurskens waren beide ‘papieren’ vervoerder. Veldhuizen was de enige feitelijk vervoerder.

HP stelde TransOFlex als haar wederpartij met wie HP een vervoerovereenkomst was aangegaan, aansprakelijk voor de schade. Dat TransOFlex uitsluitend papieren vervoerder was maakt niet uit. TransOFlex kon de portemonnee trekken. De Duitse rechtbank was namelijk van oordeel dat er sprake was van grove onzorgvuldigheid waardoor de gebruikelijke CMR limiet niet van toepassing was. Vervolgens was Beurskens aan de beurt.

TransOFlex begint tegen Beurskens in Duitsland een procedure, ook weer op basis van de tussen hen gesloten overeenkomst. In deze procedure wordt Beurskens veroordeeld tot betaling van € 300.000 schadevergoeding. Op zijn beurt begint Beurskens in Nederland een procedure tegen Veldhuizen, door wiens toedoen de feitelijke schade is veroorzaakt. Beurskens doet hierbij een beroep op de regresregeling op grond waarvan Veldhuizen verplicht is de schade aan Beurskens te vergoeden.

Veldhuizen is het hier niet mee eens. Veldhuizen stelt dat bij opvolgend vervoer ook de hoofdvervoerder een deel van het vervoer fysiek moet uitvoeren, voordat hij goederen met de vrachtbrief doorgeeft aan zijn opvolger. Volgens Veldhuizen is er in dit geval dus geen sprake van opvolgend vervoer, omdat zowel TransOFlex als Beurskens papieren vervoerders zijn en Veldhuizen de goederen en de vrachtbrief rechtstreeks van HP heeft ontvangen.

Veldhuizen verzet zich daarom tegen de vordering van Beurskens en voert in deze procedure allerlei argumenten aan waarom de diefstal van de lading wel onder de CMR limiet valt waardoor zijn aansprakelijkheid is beperkt tot € 20.000 en Veldhuizen geen € 300.000 hoeft te betalen aan Beurskens.

Zowel de rechtbank als het Hof stellen Veldhuizen in het ongelijk. Beiden stellen zich op het standpunt dat Veldhuizen als opvolgend vervoerder geen beroep kan doen op overmacht en beperking van de aansprakelijkheid. Veldhuizen geeft het dan nog niet op en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Deze heeft na 10 jaar procederen het laatste woord. De Hoge Raad laat de uitspraken van de rechtbank en Hof in stand

Volgens de Hoge Raad is de regeling van het opvolgend vervoer ook van toepassing als de feitelijke vervoerder de lading en papieren niet van de vorige vervoerder maar rechtstreeks van de ladingbelanghebbende heeft ontvangen. Dit heeft tot gevolg dat Veldhuizen als opvolgend vervoerder gebonden is aan de uitspraak tussen TransOFlex en Beurskens.

Veldhuizen kan zich niet meer tegen Beurskens beroepen op overmacht of beperking van de aansprakelijkheid. Veldhuizen had dit al moeten doen in de procedure tussen TransOFlex en Beurskens. Kennelijk was Veldhuizen hiertoe wel in de gelegenheid gesteld. Door hier geen gebruik van te maken en eerst het oordeel van de Duitse rechtbank af te wachten heeft Veldhuizen dit recht verspeeld. Het gevolg is dat Veldhuizen zich niet meer kan verweren en Beurskens op grond van de regresregeling volledig schadeloos moet stellen.

Conclusie

Voor veel vervoerders maar ook voor juristen zal deze uitleg vragen oproepen. De feitelijke vervoerder krijgt immers niet de lading en papieren van de voorgaande vervoerder maar rechtstreeks van de ladingbelanghebbende. Nu door de Hoge Raad dit standpunt is ingenomen en daarbij heeft gekozen voor de ‘ruime uitleg’ van het opvolgend vervoer onder de CMR moeten vervoerders hiermee terdege rekening houden.

In geval van een procedure is het zaak om hier vroegtijdig bij betrokken te worden en deze mogelijkheid te benutten om te trachten de claim af te wijzen. Maakt men hier geen gebruik van dan kan dit zoals bovenstaande zaak laat zien grote financiële gevolgen hebben.

Voor de liefhebber die het nog eens helemaal wil nalezen, heb ik hier de vindplaats van de uitspraak van de Hoge Raad vermeld. www.rechtspraak.nl onder ECLI: NL:HR:2015:2528

________________

Mr René de Bondt. Levenbach&Gerritsen Advocaten, Schiphol-Rijk. Voor vragen naar aanleiding van dit artikel kunt u contact opnemen met r.debondt@levenbach-gerritsen.nl

Disclaimer. Hoewel aan dit artikel de grootste zorg is besteed kunnen hier geen rechten aan worden ontleend.

 

Rijverboden
Nieuwsbrief

Elke werkdag het laatste nieuws rond lunchtijd
in uw e-mail ontvangen?

Stuur mij de nieuwsbrief

Wilt u zich afmelden klik dan hier