De Rechtbank Oost-Brabant heeft het verzet van een transportondernemer tegen zijn faillietverklaring ongegrond verklaard. Dat blijkt uit een uitspraak van 21 januari 2026. De ondernemer had de rechtbank verzocht het faillissementsvonnis te vernietigen, maar kreeg daarin geen gelijk.
De uitspraak is door de rechtbank geanonimiseerd. In verband met privacyregels is niet bekend om welke transportondernemer het gaat.
De ondernemer was op 11 november 2025 op verzoek van het Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg en de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen (SOOB) in staat van faillissement verklaard. Daartegen stelde hij verzet op grond van de Faillissementswet.
Betalingsvoorstel onvoldoende zekerheid
Volgens de ondernemer verkeerde hij niet (meer) in de toestand dat hij had opgehouden te betalen. Hij stelde dat de vorderingen van het pensioenfonds en SOOB met hun instemming zouden worden voldaan uit gelden die door ABN AMRO Bank N.V. van zijn bankrekening waren overgemaakt naar de faillissementsrekening.
De rechtbank ging daar niet in mee. Uit de behandeling bleek dat de vorderingen nog steeds opeisbaar zijn en dat geen zekerheid bestaat dat deze bij vernietiging van het faillissement daadwerkelijk zouden worden betaald. Ook waren na de faillietverklaring meerdere nieuwe vorderingen ter verificatie ingediend.
Curator niet akkoord
De curator verzette zich tegen vernietiging van het faillissement. Daarbij wees hij onder meer op de omvang van de schulden in verhouding tot het beschikbare actief. Daarnaast speelde mee dat de ondernemer op dat moment in voorlopige hechtenis zat wegens verdenking van betrokkenheid bij een drugsgerelateerd delict. In dat kader zijn drie vrachtwagens van het transportbedrijf in beslag genomen.
De curator gaf aan niet te kunnen uitsluiten dat de gelden die naar de faillissementsrekening zijn overgemaakt een niet-legale herkomst hebben. Om die reden wilde hij geen medewerking verlenen aan betaling van schuldeisers bij een eventuele vernietiging van het faillissement.
Faillissement blijft in stand
De rechtbank oordeelde dat zowel de vorderingen van de schuldeisers als de toestand van betalingsonmacht nog steeds aanwezig zijn. Daarmee zijn de gronden voor faillietverklaring volgens de rechtbank onverminderd van kracht. Het verzet is daarom ongegrond verklaard en het faillissement blijft in stand.
Ten overvloede merkte de rechtbank op dat in een situatie waarin een gefailleerde wordt verdacht van drugscriminaliteit, de herkomst van vermogensbestanddelen niet zonder meer als legaal kan worden aangemerkt. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het begrijpelijk dat de curator niet instemt met vernietiging van het faillissementsvonnis.










