ARNHEM â Een man die naast zijn bijstandsuitkering als vrachtwagenchauffeur werkte zonder zijn inkomsten bij de gemeente te melden, moet de ten onrechte ontvangen bijstand terugbetalen. Ook een opgelegde boete van 807,24 euro blijft in stand. Dat heeft de rechtbank Gelderland op 30 oktober 2026 bepaald.
De man ontving al jarenlang een bijstandsuitkering van de gemeente Rheden. Van 22 juli tot en met 12 september 2024 werkte hij bij een bedrijf als vrachtwagenchauffeur en ontving daarvoor salaris. Hij meldde deze werkzaamheden en inkomsten echter niet bij de gemeente.
Eind september 2024 kreeg de gemeente via het Inlichtingenbureau een signaal dat de man inkomsten uit arbeid had ontvangen. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat zijn werkzaamheden niet bekend waren bij de uitkeringsadministratie en de afdeling Inkomen.
De sociale recherche vroeg de man vervolgens om zijn arbeidsovereenkomst en loonstroken te overleggen. Omdat deze documenten niet werden verstrekt, werden de gegevens uiteindelijk opgevraagd bij zijn voormalige werkgever.
Bijstand teruggevorderd
Op 31 oktober 2024 besloot de gemeente de bijstand over de periode van 22 juli tot en met 30 september 2024 in te trekken. Volgens de gemeente had de man vanwege zijn inkomsten uit werk in die periode geen recht op bijstand.
Aanvankelijk werd een bedrag van 3.038,98 euro netto teruggevorderd. Later werd de periode aangepast tot en met 12 september 2024, waardoor de netto terugvordering werd verlaagd naar 2.253,90 euro.
Daarbovenop kwam een bedrag van 490,16 euro aan loonbelasting en premies die de gemeente al had afgedragen. Daarmee kwam de bruto terugvordering uit op 2.744,06 euro.
Daarnaast legde de gemeente de man een boete van 807,24 euro op wegens het schenden van zijn inlichtingenplicht.
‘Ik dacht dat de gemeente het toch wel zou zien’
De man was het niet eens met de terugvordering en de boete en stapte naar de rechter.
Volgens hem had hij vooraf aangegeven dat hij aan het werk zou gaan. Hij vond het vanzelfsprekend dat de gemeente daarmee ook wist dat hij inkomsten zou ontvangen.
Tijdens een eerder gesprek met de sociale recherche had hij echter verklaard dat hij zijn werkzaamheden niet had gemeld, omdat hij ervan uitging dat de gemeente zijn werk en inkomsten toch wel zou zien.
Ook verklaarde hij dat hij zijn inkomsten niet had opgegeven vanwege schulden en omdat hij boos was op de gemeente.
De rechtbank oordeelt dat de man zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Uit de onderzoeksgegevens blijkt dat zijn werkzaamheden en inkomsten niet bij de gemeente bekend waren.
De enkele stelling dat hij de gemeente wel zou hebben geïnformeerd, is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Gemeente zou onvoldoende hebben geholpen
De man voerde daarnaast aan dat de gemeente hem onvoldoende had geholpen bij het aanleveren van de benodigde informatie.
Volgens hem had hij op 14 oktober 2024 om hulp gevraagd, maar kreeg hij geen duidelijke instructies. Ook zou onvoldoende rekening zijn gehouden met het feit dat hij de Nederlandse taal niet volledig beheerst.
De rechtbank gaat daar niet in mee.
Uit het dossier blijkt dat de gemeente hem op 7 oktober 2024 schriftelijk had gevraagd zijn arbeidsovereenkomst en loonstroken te verstrekken. Tijdens het telefoongesprek van 14 oktober werd bovendien uitgelegd dat hij in plaats van loonstroken ook bankafschriften mocht overleggen.
Volgens de rechtbank heeft de gemeente daarmee voldoende zorgvuldig gehandeld.
Ook zijn er geen aanwijzingen dat de man de Nederlandse taal onvoldoende beheerste om zijn verplichtingen te begrijpen.
Werk vinden is lovenswaardig
Opvallend is dat de gemeente in de procedure benadrukte dat het positief was dat de man na een lange periode in de bijstand weer werk had gevonden.
Hij had jarenlang geregistreerd gestaan als iemand die was vrijgesteld van de arbeidsplicht of niet actief bemiddelbaar was.
Dat hij toch werk had gevonden, noemde de gemeente lovenswaardig.
Maar dat neemt volgens de gemeente niet weg dat hij verplicht was zijn werkzaamheden en inkomsten door te geven.
De rechtbank volgt deze redenering.
Dat de man stappen had gezet om weer aan het arbeidsproces deel te nemen, betekent niet dat hij zijn verplichtingen op grond van de Participatiewet naast zich neer mocht leggen.
Boete van ruim 800 euro blijft staan
Bij het bepalen van de boete hield de gemeente rekening met de persoonlijke omstandigheden en financiÃĢle draagkracht van de man.
Hoewel de sociale recherche aanvankelijk uitging van grove schuld, koos de gemeente bij het opleggen van de boete voor normale verwijtbaarheid.
Ook werd niet uitgegaan van zijn daadwerkelijke arbeidsinkomen, maar van een beperkte aflossingscapaciteit op basis van de bijstandsnorm.
De boete werd vastgesteld op twaalf maanden maal 67,27 euro, in totaal 807,24 euro.
Volgens de rechtbank is daarmee voldoende rekening gehouden met zijn financiÃĢle situatie en zijn inspanningen om weer aan het werk te gaan.
De rechtbank noemt de boete evenredig, passend en geboden.
Terugvordering niet onevenredig
Ook het argument dat de terugvordering onevenredig hoog zou zijn, overtuigt de rechtbank niet.
De man had tijdens zijn werkzaamheden voldoende inkomsten ontvangen om de ten onrechte betaalde bijstand terug te betalen, maar had dat niet gedaan.
Bovendien was hij vanaf 4 november 2024 opnieuw aan het werk en ontving hij inkomsten uit arbeid. Zijn bijstandsuitkering was per 1 november 2024 beÃĢindigd.
Volgens de rechtbank mocht de gemeente daarom ook de eerder afgedragen belasting en premies bij de terugvordering optellen.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond die aanleiding geven om geheel of gedeeltelijk van terugvordering of de boete af te zien.
Beroep ongegrond
De rechtbank Gelderland verklaart het beroep van de man ongegrond.
Dat betekent dat de terugvordering van 2.744,06 euro bruto en de boete van 807,24 euro in stand blijven.
De man krijgt zijn griffierecht niet terug en ontvangt ook geen vergoeding voor zijn proceskosten.
Tegen de uitspraak kan binnen zes weken na verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.





