UTRECHT – De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bevestigd dat de gemeente Utrecht terecht een last onder dwangsom aan ProRail heeft opgelegd vanwege overschrijding van de toegestane geluidgrenswaarden op het spoorwegemplacement aan de Atoomweg in Utrecht. Het hoger beroep van een omwonende, die vond dat ook tegen stofoverlast had moeten worden opgetreden, is ongegrond verklaard.
De zaak draait om een spoorwegemplacement op industrieterrein Lage Weide, waar stenen vanuit treinen werden overgeslagen op vrachtwagens. Een omwonende, die tegenover de laad- en loskade woont en daar een autogarage exploiteert, vroeg de gemeente in juli 2021 handhavend op te treden vanwege geluid- en stofoverlast door de overslagactiviteiten.
Geluidgrenswaarden overschreden
Al in september 2020 stelde de gemeente tijdens een controle vast dat de maximale geluidgrenswaarden uit de omgevingsvergunning werden overschreden. Nadat bij een tweede controle in juli 2021 opnieuw een overtreding werd geconstateerd, legde het college van burgemeester en wethouders ProRail op 15 oktober 2021 een last onder dwangsom op.
Volgens ProRail waren de overslagactiviteiten op 29 juli 2021 al beëindigd, nadat was gebleken dat het lossen van stenen niet mogelijk was binnen de geldende geluidnormen. De dwangsom moest voorkomen dat de activiteiten zonder aanpassingen opnieuw zouden worden hervat.
Ook geen grond voor handhaving wegens stof
De omwonende voerde in hoger beroep aan dat de gemeente onvoldoende had gedaan tegen de stofoverlast en dat de activiteiten later opnieuw waren hervat.
De Raad van State volgt dat niet. Volgens de hoogste bestuursrechter is de overslag van stenen definitief beëindigd nadat uit de geluidmetingen bleek dat de activiteiten niet binnen de vergunde geluidgrenswaarden konden plaatsvinden. Daarmee verdwenen volgens de Afdeling ook de geluid- en stofoverlast waarop het handhavingsverzoek betrekking had. Eventuele overlast die in 2022 werd ervaren, hield verband met spoorwerkzaamheden waarvoor een afzonderlijke ontheffing was verleend en niet met de eerdere overslag van stenen.
Schadevergoeding wegens lange procedure
Hoewel het hoger beroep ongegrond is verklaard, kende de Raad van State de omwonende wel een schadevergoeding van 1.000 euro toe. De redelijke termijn voor de behandeling van de procedure was met ongeveer acht maanden overschreden. De vergoeding komt voor rekening van de Staat.







