BRUSSEL – Het Europees Parlement zet een belangrijke stap richting flexibelere Europese regels voor de verduurzaming van bedrijfsvoertuigen. De milieu- en transportcommissies hebben zich uitgesproken tegen verplichte aanschafdoelstellingen voor zakelijke wagenparken en willen de CO₂-reductiedoelstelling voor nieuwe bestelwagens in 2035 verlagen naar 80 procent. Ook is het voorstel geschrapt om in 2027 mogelijk verplichte aanschafdoelstellingen voor vrachtwagens, bussen en touringcars te introduceren. De internationale wegtransportorganisatie IRU spreekt van een belangrijke politieke koerswijziging.
De commissies stemden woensdag 4 november over twee voorstellen uit het Europese Automotive Package: de Clean Corporate Vehicles Regulation en de herziening van de CO₂-normen voor personenauto’s en bestelwagens. Volgens IRU sluiten de voorgestelde aanpassingen beter aan bij de economische en operationele werkelijkheid waarmee transportbedrijven te maken hebben.
De organisatie benadrukt dat verduurzaming van het wegvervoer niet kan worden afgedwongen met aankoopverplichtingen wanneer de noodzakelijke infrastructuur, energievoorziening en financiële voorwaarden ontbreken.
Verplichte aanschafdoelstellingen van tafel
Een van de belangrijkste wijzigingen betreft de plannen van de Europese Commissie om bedrijven via nationale verplichtingen te stimuleren hun wagenparken te verduurzamen. De Commissie wilde hiervoor bindende aanschafdoelstellingen voor 2030 en 2035 invoeren.
De parlementaire commissies hebben nu ingestemd met het vervangen van deze verplichtingen door niet-bindende streefdoelen. Lidstaten krijgen daardoor meer vrijheid om via nationale plannen te bepalen hoe zij de verduurzaming van zakelijke wagenparken willen ondersteunen.
Voor de transportsector is vooral van belang dat zware bedrijfsvoertuigen buiten het toepassingsgebied van de regeling blijven. Bovendien is de verwijzing geschrapt naar de mogelijkheid om in 2027 alsnog aanschafdoelstellingen voor vrachtwagens, bussen en touringcars in te voeren.
Volgens IRU laat de stemming zien dat er binnen het Europees Parlement aanzienlijke weerstand bestaat tegen het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie.
Raluca Marian, vertegenwoordiger van IRU bij de Europese Unie, noemt de koerswijziging noodzakelijk. “De politieke boodschap van het Europees Parlement is duidelijk: verduurzamingsbeleid moet rekening houden met de marktrealiteit en de operationele behoeften van transportbedrijven. Aankoopverplichtingen creëren geen vraag wanneer de voorwaarden voor investeringen ontbreken.”
Laadinfrastructuur op bedrijfsterreinen krijgt meer aandacht
De commissies erkennen daarnaast het belang van voldoende laad- en tankinfrastructuur op bedrijfsterreinen, bij transportdepots en langs commerciële transportroutes. Daarmee wordt een verbinding gelegd met de komende herziening van de Europese Alternative Fuels Infrastructure Regulation (AFIR), de verordening die eisen stelt aan de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.
Volgens IRU moet Europees beleid zich vooral richten op het wegnemen van praktische belemmeringen die transportbedrijven ervan weerhouden om te investeren in schonere voertuigen.
“Het opleggen van aanschafdoelstellingen via lidstaten maakt voertuigen niet betaalbaar en zorgt evenmin voor de infrastructuur of energievoorziening die nodig is om ze te gebruiken”, aldus Marian. Volgens haar is de Clean Corporate Vehicles Regulation in de oorspronkelijk voorgestelde vorm daarom niet de juiste aanpak.
IRU noemt het schrappen van mogelijke aanschafverplichtingen voor zware bedrijfsvoertuigen bijzonder belangrijk. Ook de erkenning van laadmogelijkheden op transportdepots wordt gezien als een positieve ontwikkeling.
CO₂-doelstelling bestelwagens mogelijk naar 80 procent
Ook bij de Europese CO₂-normen voor nieuwe bestelwagens tekent zich een versoepeling af. De milieucommissie heeft ingestemd met een compromis waarbij de beoogde CO₂-reductie in 2035 wordt vastgesteld op 80 procent.
Dat is minder streng dan de reductie van 90 procent die de Europese Commissie had voorgesteld en de momenteel vastgelegde doelstelling van 100 procent voor 2035.
De voorgestelde aanpassing moet voertuigfabrikanten meer flexibiliteit bieden bij de ontwikkeling en verkoop van nieuwe bestelwagens. Daarnaast voorziet het compromis in extra mogelijkheden om aan de normen te voldoen, waaronder kredieten voor het gebruik van koolstofarm staal en nalevingsperioden van vijf jaar voor bestelwagens.
Volgens IRU zijn deze wijzigingen van groot belang voor de beschikbaarheid en betaalbaarheid van bedrijfsvoertuigen. Hoewel de CO₂-normen rechtstreeks gelden voor fabrikanten, bepalen zij uiteindelijk welke voertuigen transportondernemers kunnen aanschaffen en of deze geschikt zijn voor hun dagelijkse werkzaamheden.
Hernieuwbare brandstoffen mogelijk erkend als emissievrij
Een andere belangrijke wijziging betreft de definitie van emissievrije voertuigen. De milieucommissie wil deze uitbreiden naar voertuigen die uitsluitend rijden op bepaalde hernieuwbare brandstoffen die voldoen aan de Europese richtlijn voor hernieuwbare energie.
Daarbij geldt onder meer als voorwaarde dat de betreffende brandstoffen minimaal 65 procent broeikasgasemissiereductie opleveren. Ook moeten de voertuigen en brandstoffen aan specifieke toelatingscriteria voldoen.
Volgens IRU is dit een belangrijke stap richting technologieneutraliteit. De organisatie pleit er al langer voor dat Europese regelgeving niet uitsluitend op één aandrijftechnologie wordt gericht, maar ruimte laat voor verschillende oplossingen waarmee de uitstoot kan worden verminderd.
“Transportondernemers hebben toegang nodig tot voertuigen die passen bij hun operationele eisen en bij het daadwerkelijke tempo waarin de noodzakelijke randvoorwaarden worden gerealiseerd”, zegt Marian.
Volgens haar geven realistischere doelstellingen en de erkenning van hernieuwbare brandstoffen fabrikanten meer mogelijkheden om voertuigen aan te bieden die aansluiten bij uiteenlopende transportactiviteiten.
“Technologieneutraliteit is essentieel. Het doel moet zijn om de uitstoot te verminderen, niet om één specifieke technologische route voor te schrijven.”
Definitieve besluitvorming volgt nog
De stemmingen in de parlementaire commissies betekenen nog niet dat de Europese regels definitief worden aangepast. Het gaat vooralsnog om een belangrijke stap in het wetgevingsproces.
Naar verwachting stemt het voltallige Europees Parlement in december over de voorstellen. Daarna moeten onderhandelingen plaatsvinden met de Raad van de Europese Unie, waarin de lidstaten vertegenwoordigd zijn.
Pas wanneer de Europese instellingen overeenstemming bereiken, kunnen de wijzigingen definitief worden vastgelegd in Europese wetgeving.
IRU roept Europarlementariërs en lidstaten op om de ingezette koers richting een volgens de organisatie realistischer en economisch uitvoerbaar verduurzamingsbeleid vast te houden.
Ook gevolgen voor CO₂-normen vrachtwagens
Volgens IRU is de politieke koerswijziging eveneens van belang voor de geplande herziening van de Europese CO₂-normen voor zware bedrijfsvoertuigen in 2027.
De organisatie vindt dat bij die herziening dezelfde uitgangspunten moeten gelden: klimaatdoelstellingen moeten aansluiten bij de daadwerkelijke mogelijkheden van transportbedrijven om te investeren in nieuwe voertuigen.
Daarbij spelen volgens IRU niet alleen de aanschafkosten een rol, maar ook de beschikbaarheid van geschikte voertuigen, voldoende laad- en tankinfrastructuur, energievoorziening en de economische omstandigheden waarin transportbedrijven opereren.
“De politieke boodschap is ook zeer relevant voor de komende herziening van de CO₂-normen voor zware bedrijfsvoertuigen in 2027. Daarbij moet hetzelfde principe gelden: klimaatdoelstellingen moeten rekening houden met de daadwerkelijke omstandigheden waaronder transportondernemers kunnen investeren”, besluit Marian.
IRU blijft samen met haar leden, regelgevende instanties en voertuigfabrikanten werken aan volgens de organisatie haalbare en praktisch uitvoerbare doelstellingen voor de verduurzaming van het wegtransport.





