DEN HAAG â De Hoge Raad heeft dinsdag 3 november 2026 geoordeeld dat een vrachtwagenchauffeur die in maart 2019 een dodelijk verkeersongeval veroorzaakte in Rotterdam, terecht schuldig is bevonden aan dood door schuld. De chauffeur, die al jarenlang diabetes had en regelmatig kampte met gevaarlijk lage bloedsuikerwaarden, reed met zijn vrachtwagen met 89 kilometer per uur door een rood verkeerslicht. Bij de daaropvolgende botsing kwam een 21-jarige automobilist om het leven. De Hoge Raad laat de bewezenverklaring in stand, maar oordeelt dat het gerechtshof opnieuw moet kijken naar de toegekende schadevergoedingen aan de ouders van het slachtoffer.
Dat blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad van 3 november 2026.
Het dodelijke ongeval gebeurde op 11 maart 2019 rond 21.45 uur op de kruising van afrit 26 (Kralingen) van de A16 met de Jacques Dutilhweg in Rotterdam.
De vrachtwagenchauffeur reed met een DAF-trekker met oplegger, waarmee hij gevaarlijke stoffen vervoerde. Hij was onderweg van Moerdijk naar Amsterdam.
Op de afrit, waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur gold, reed de chauffeur met 89 kilometer per uur. Zonder te remmen passeerde hij een verkeerslicht dat op dat moment al ongeveer anderhalve minuut rood was.
De vrachtwagen reed door de berm, botste tegen straatmeubilair en kwam vervolgens met een snelheid van ongeveer 75 kilometer per uur in botsing met de linkerzijde van een personenauto.
De auto werd door de vrachtwagen meegesleurd en kwam uiteindelijk onder het voertuig terecht. De 21-jarige bestuurder overleed ter plaatse.
Vrachtwagen slingerde over de snelweg
Uit het politieonderzoek blijkt dat de chauffeur al geruime tijd vÃŗÃŗr het ongeval opvallend rijgedrag vertoonde.
Een getuige zag rond 21.10 uur op een bedrijventerrein in Moerdijk dat de vrachtwagen zonder verlichting stilstond op de rijbaan en vervolgens schokkend in beweging kwam.
Een andere automobilist zag de vrachtwagen rond 21.25 uur over de A15 rijden. De combinatie slingerde over de weg, schampte meerdere keren de vangrail en reed met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur verder.
Ook op de A16 bleef de vrachtwagen slingeren. Een getuige die op een viaduct stond, zag hoe de vrachtwagen langs de vangrail schuurde, waarbij vonken ontstonden.
Uit camerabeelden bleek bovendien dat de chauffeur eerder door een tunnelbuis van de Drechttunnel was gereden die voor vrachtwagens verboden was.
Ondanks deze omstandigheden zette de chauffeur zijn rit voort.
Zeer lage bloedsuikerspiegel
Na het ongeval werd de chauffeur niet aanspreekbaar aangetroffen in zijn cabine. Ambulancepersoneel stelde vast dat zijn bloedsuikerspiegel was gedaald tot 2,2 millimol per liter.
Hij verkeerde daarmee in een ernstige hypoglykemie, ook wel een hypo genoemd. Nadat hulpverleners hem glucose hadden toegediend, werd hij weer aanspreekbaar.
De chauffeur verklaarde dat hij sinds 1992 diabetes had. Van de rit tussen Moerdijk en Rotterdam kon hij zich vrijwel niets meer herinneren.
Volgens zijn verklaring had hij op de dag van het ongeval meerdere keren extra insuline toegediend omdat zijn bloedsuikerwaarden te hoog waren.
Uit het onderzoek bleek echter dat hij al langere tijd moeite had zijn bloedsuikerspiegel onder controle te houden.
256 lage bloedsuikermetingen in 90 dagen
Uit gegevens van zijn glucosemeter bleek dat in de negentig dagen voorafgaand aan het ongeval 256 keer een te lage bloedsuikerwaarde was geregistreerd.
In 27 gevallen gebeurde dit terwijl de chauffeur aan het werk was. Tien keer was hij daadwerkelijk aan het rijden, waarvan twee keer met gevaarlijke stoffen.
Bij 41 metingen was sprake van een bloedsuikerwaarde van 2,2 millimol per liter of lager, vergelijkbaar met de waarde die na het dodelijke ongeval werd vastgesteld.
Ook had de chauffeur eerder ernstige incidenten meegemaakt.
Op 26 april 2017 kreeg hij tijdens zijn werk een hypo. Op 8 februari 2019, ongeveer een maand voor het dodelijke ongeval, werd hij opnieuw getroffen door een ernstige hypo.
Hij stond toen met zijn vrachtwagen stil op de verkeerde weghelft en was voor de toegesnelde politieagenten nauwelijks aanspreekbaar.
Na dat incident nam hij geen contact op met zijn behandelend artsen.
Daarnaast maakte de chauffeur lange werkdagen. In de periode voorafgaand aan het ongeval werkte hij gemiddeld bijna veertien uur per dag.
Extra verantwoordelijkheid voor beroepschauffeurs
Het gerechtshof Den Haag oordeelde eerder dat de chauffeur aanmerkelijk onvoorzichtig had gehandeld.
Daarbij speelde volgens het hof niet alleen zijn rijgedrag vlak voor het ongeval een rol, maar ook zijn medische voorgeschiedenis en de verantwoordelijkheid die hij als beroepschauffeur droeg.
Volgens het hof mag van een professionele vrachtwagenchauffeur een grotere oplettendheid worden verwacht dan van een gemiddelde verkeersdeelnemer.
Dat geldt volgens het hof des te meer wanneer de chauffeur gevaarlijke stoffen vervoert.
Ook het feit dat hij diabetes had, bracht volgens het hof een extra verantwoordelijkheid met zich mee.
De chauffeur had volgens de rechters moeten beseffen dat hij door zijn eerdere hypo’s het risico liep tijdens het rijden opnieuw het bewustzijn te verliezen.
Daarbij was van belang dat hij onvoldoende in staat bleek een naderende hypo tijdig te herkennen, een verschijnsel dat bekendstaat als hypo-unawareness.
Het hof benadrukte dat de verantwoordelijkheid om veilig aan het verkeer deel te nemen bij de chauffeur zelf ligt, ook wanneer het CBR en behandelend artsen hem rijgeschikt achten.
Hoge Raad bevestigt schuld
De verdediging stelde dat de chauffeur niet kon voorzien dat zijn bloedsuikerspiegel tijdens het rijden zo sterk zou dalen.
Volgens de advocaat kon de plotselinge daling mogelijk zijn veroorzaakt doordat insuline zich onder de huid had opgehoopt en vervolgens onverwacht was vrijgekomen.
Het gerechtshof vond dit alternatieve scenario niet aannemelijk.
De Hoge Raad bevestigt nu dat het hof terecht rekening heeft gehouden met het geheel van de omstandigheden.
Van een vrachtwagenchauffeur die al jarenlang diabetes heeft en regelmatig ernstige hypo’s doormaakt, mag volgens de rechters worden verwacht dat hij zelf passende maatregelen neemt om veilig zijn werk te kunnen uitvoeren.
Door dat na te laten en toch aan het verkeer deel te nemen, heeft de chauffeur volgens het hof aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge black-out aanvaard.
De Hoge Raad oordeelt dat deze conclusie juridisch juist en voldoende gemotiveerd is.
Daarmee blijft de bewezenverklaring van dood door schuld in het verkeer in stand.
Schadevergoeding broer blijft overeind
Naast de schuldvraag boog de Hoge Raad zich over de schadevergoedingen aan de nabestaanden.
Het gerechtshof had aan de broer en beide ouders van het slachtoffer ieder 15.000 euro aan schokschade toegekend.
De broer was kort na het ongeval op de plaats van het ongeluk geweest, had zijn overleden broer moeten identificeren en had zijn ouders moeten vertellen dat hun zoon was overleden.
Daarnaast had hij videobeelden van het ongeval gezien.
Volgens het hof leidde deze confrontatie tot ernstig geestelijk letsel, waaronder een posttraumatische stressstoornis, hallucinaties en herbelevingen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de toekenning van 15.000 euro aan schokschade aan de broer voldoende heeft onderbouwd.
Die schadevergoeding blijft daarom in stand.
Schadevergoedingen ouders opnieuw beoordelen
Voor de schadevergoedingen aan de ouders ligt dat anders.
Ook zij hadden na het overlijden van hun zoon ernstige psychische klachten ontwikkeld.
Bij de vader werd onder meer een stemmingsstoornis vastgesteld. De moeder kampte met gecompliceerde rouw, een stemmingsstoornis en een posttraumatische stressstoornis.
De vader, die zelf vrachtwagenchauffeur was, kon na het ongeval zijn werkzaamheden niet meer hervatten en raakte uiteindelijk arbeidsongeschikt.
Toch vindt de Hoge Raad dat het gerechtshof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom beide ouders recht hebben op de volledige vergoeding van 15.000 euro aan schokschade.
Volgens de Hoge Raad is onvoldoende vastgesteld op welke manier de ouders rechtstreeks werden geconfronteerd met het ongeval en de gevolgen daarvan.
Daarnaast had het hof beter moeten uitleggen hoe de vergoeding voor schokschade zich verhoudt tot de affectieschade waarop de ouders al aanspraak hadden gemaakt.
Aan beide ouders was eerder 17.500 euro aan affectieschade toegekend.
De Hoge Raad benadrukt dat bij het vaststellen van schokschade moet worden beoordeeld of deze vergoeding geheel of gedeeltelijk samenvalt met de vergoeding voor affectieschade.
Zaak gedeeltelijk terug naar gerechtshof
De Hoge Raad vernietigt daarom uitsluitend de onderdelen van de uitspraak die betrekking hebben op de toegekende schokschade aan de ouders, de daarmee samenhangende proceskosten en schadevergoedingsmaatregelen.
Het gerechtshof Den Haag moet deze onderdelen opnieuw beoordelen.
De overige onderdelen van de uitspraak blijven in stand.
Uit het arrest blijkt dat aan de chauffeur eerder een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden was opgelegd.
De Hoge Raad constateert daarnaast dat de behandeling van het cassatieberoep langer dan twee jaar heeft geduurd en dat daarmee de redelijke termijn is overschreden.
Vanwege de volledig voorwaardelijke gevangenisstraf verbindt de Hoge Raad hieraan geen verdere gevolgen.





