HomeTRANSPORTNIEUWSWegvervoerRechter tikt transportbedrijf op de vingers na ernstig verwijtbaar handelen tegenover zieke...
spot_imgspot_imgspot_imgspot_img

Rechter tikt transportbedrijf op de vingers na ernstig verwijtbaar handelen tegenover zieke vrachtwagenchauffeur

UTRECHT – Een transportbedrijf heeft volgens de rechtbank Midden-Nederland ernstig verwijtbaar gehandeld tegenover een zieke vrachtwagenchauffeur. De werkgever zette ten onrechte zijn loon stop, negeerde herhaaldelijk adviezen van de bedrijfsarts en weigerde zonder zwaarwegende redenen verlofaanvragen. De kantonrechter heeft het bedrijf onder meer veroordeeld tot betaling van een wettelijke loonverhoging, een voorschot van 5.000 euro op juridische kosten en 1.917,67 euro aan proceskosten.

De uitspraak dateert van 16 september 2026 en betreft een kort geding tussen een vrachtwagenchauffeur en zijn werkgever.

De chauffeur is sinds 1 december 2023 voor onbepaalde tijd in dienst bij het transportbedrijf. Zijn salaris bedraagt 3.381,75 euro per maand, exclusief 8 procent vakantiebijslag.

Sinds begin september 2025 is de man arbeidsongeschikt vanwege een hernia. Volgens de rechter heeft zijn werkgever gedurende het re-integratietraject meerdere keren gehandeld in strijd met de adviezen van de bedrijfsarts.

Loon ten onrechte stopgezet

Op 22 juni 2026 schortte het transportbedrijf de loonbetaling van de chauffeur per direct op. Op 3 juli werd deze maatregel omgezet in een loonstop.

Pas nadat de chauffeur een gerechtelijke procedure was begonnen, betaalde de werkgever op 21 augustus alsnog het achterstallige loon over juni en juli, inclusief wettelijke rente.

Tijdens de rechtszaak erkende het transportbedrijf dat de loonmaatregelen geen wettelijke grondslag hadden.

Volgens de werkgever had het achteraf gezien niet zo moeten gaan.

De kantonrechter oordeelt dat de loonopschorting en loonstop onvoldoende feitelijke grondslag hadden en dat de te late betaling aan de werkgever te wijten is.

Daarom moet het bedrijf de maximale wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon voldoen.

Daarnaast moet de werkgever bij ongewijzigde omstandigheden het verschuldigde loon, de vakantiebijslag en overige looncomponenten tijdens de arbeidsongeschiktheid blijven betalen, zolang de chauffeur daarop wettelijk recht heeft.

De rechter wees een gevraagde dwangsom voor de loonbetaling af, omdat bij een veroordeling tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden opgelegd.

Chauffeur moest werken ondanks advies bedrijfsarts

Uit de uitspraak blijkt dat de werkgever herhaaldelijk afweek van medische adviezen.

Op 1 december 2025 oordeelde de bedrijfsarts dat de chauffeur niet inzetbaar was voor werk.

Desondanks riep het transportbedrijf hem een dag later op om werkzaamheden te verrichten.

De chauffeur werkte vervolgens drie dagen. Volgens de werkgever ging het om lichte administratieve werkzaamheden die in goed overleg werden uitgevoerd.

Daarna meldde de man zich opnieuw ziek omdat het werk niet ging.

Op 8 januari 2026 werd de chauffeur geopereerd aan een hernia.

Vijf dagen later, op 13 januari, adviseerde de bedrijfsarts dat de man eerst moest herstellen en dat werkhervatting nog niet aan de orde was.

Toch benaderde het transportbedrijf hem op 21 januari opnieuw met de mededeling dat hij weer aan het werk moest.

Ook in juni ontstonden problemen rond de re-integratie.

De bedrijfsarts adviseerde op 3 juni een maximale werkopbouw van drie keer drie uur per week.

De chauffeur verrichtte op dat moment al twee dagen per week vrijwilligerswerk als onderdeel van zijn re-integratie.

Op 22 juni kreeg hij van zijn werkgever echter bericht dat hij daarnaast nog drie dagen aangepast werk kon verrichten bij een zusterbedrijf in Zoetermeer.

Volgens de werkgever had de chauffeur de mogelijkheid om met het vrijwilligerswerk te stoppen.

In de praktijk bleek dit niet zomaar mogelijk, waardoor de man feitelijk vijf dagen per week re-integratiewerkzaamheden verrichtte.

Werkgever ging op stoel van bedrijfsarts zitten

De kantonrechter stelt vast dat het transportbedrijf geen rechtens acceptabele redenen heeft aangevoerd om van de adviezen van de bedrijfsarts af te wijken.

Ook had de werkgever geen second opinion aangevraagd of om een nadere toelichting van de bedrijfsarts of arbeidsdeskundige gevraagd.

Opvallend is volgens de rechter dat het transportbedrijf de chauffeur herhaaldelijk verweet onvoldoende mee te werken aan zijn re-integratie, terwijl uit de gebeurtenissen juist het tegenovergestelde blijkt.

Volgens de kantonrechter is de werkgever zelf op de stoel van de bedrijfsarts gaan zitten door te bepalen dat de chauffeur eerder moest beginnen met re-integreren dan medisch verantwoord was.

De rechter kwalificeert dit handelen voorlopig als ernstig verwijtbaar.

Het transportbedrijf mag de chauffeur daarom geen werkzaamheden, werkuren, werkplekken of re-integratieactiviteiten opleggen die zijn medische beperkingen overschrijden of niet vooraf door de bedrijfsarts of arbeidsdeskundige zijn goedgekeurd of geadviseerd.

Afwijken van een medisch advies blijft mogelijk wanneer daarvoor een aantoonbare, juridisch aanvaardbare reden bestaat.

Bij overtreding van het opgelegde verbod kunnen dwangsommen worden verbeurd, tot een maximum van 25.000 euro.

Transportbedrijf moet meewerken aan mediation

De bedrijfsarts adviseerde op 10 maart en 3 juni 2026 om mediation te starten vanwege werkgerelateerde problemen tussen de chauffeur en zijn werkgever.

Het transportbedrijf liet aanvankelijk weten daarvoor geen aanleiding te zien.

Tijdens de rechtszaak verzette de werkgever zich niet langer tegen mediation, maar wel tegen een daaraan gekoppelde dwangsom.

De kantonrechter oordeelt dat het bedrijf als goed werkgever verplicht is zich oprecht in te spannen om aan de geadviseerde mediation mee te werken.

Het transportbedrijf moet daarom binnen zes weken na de uitspraak een mediationtraject starten bij een MfN-geaccrediteerde mediator.

Bij het niet naleven van deze verplichting geldt een dwangsom van 500 euro per dag, met een maximum van 5.000 euro.

Volgens de rechter is deze financiÃĢle prikkel noodzakelijk omdat de werkgever eerder zonder gegronde reden weigerde het advies van de bedrijfsarts op te volgen.

Verlofaanvragen zonder goede reden geweigerd

Ook bij de behandeling van verlofaanvragen ging het transportbedrijf volgens de rechter ernstig in de fout.

Op 6 februari 2026 trok de werkgever een eerder goedgekeurde verlofaanvraag in.

Als reden gaf het bedrijf op dat de re-integratie zo snel en soepel mogelijk moest verlopen.

Volgens de chauffeur werden daarna alle verlofaanvragen geweigerd. De werkgever heeft dit niet weersproken.

In april werd opnieuw een eerder goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken, ditmaal omdat de bouwvak naderde.

De bedrijfsarts had op 3 juni echter aangegeven dat er medisch gezien geen bezwaar bestond tegen een tijdelijke onderbreking van de re-integratie voor vakantie.

De kantonrechter oordeelt dat het transportbedrijf de verlofaanvragen zonder zwaarwichtig bedrijfsbelang of medische noodzaak heeft geweigerd.

Daarmee heeft de werkgever volgens de rechter opnieuw ernstig verwijtbaar gehandeld.

Het bedrijf mag toekomstige verlofaanvragen niet weigeren wanneer daarvoor geen aantoonbaar zwaarwichtig bedrijfsbelang of door de bedrijfsarts vastgesteld medisch bezwaar bestaat.

Bij overtreding geldt een dwangsom van 500 euro per dag, tot maximaal 10.000 euro.

Voorschot van 5.000 euro op juridische kosten

De chauffeur eiste daarnaast vergoeding van 7.822,43 euro aan daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten.

Volgens de kantonrechter heeft het transportbedrijf de norm van goed werkgeverschap geschonden door de onterechte loonmaatregelen, het negeren van medische adviezen en het zonder zwaarwegende redenen weigeren van verlof.

De chauffeur moest daardoor juridische bijstand inschakelen.

De rechter vindt het redelijk dat de werkgever een deel van deze kosten vergoedt.

Omdat niet uit alle ingediende facturen bleek op welke onderdelen van de procedure de werkzaamheden betrekking hadden, werd niet het volledige gevorderde bedrag toegewezen.

Wel moet het transportbedrijf een voorschot van 5.000 euro betalen op de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten.

Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van 1.917,67 euro aan proceskosten, eventueel vermeerderd met betekeningskosten en wettelijke rente.

De chauffeur had ook vergoeding van zijn volledige werkelijke proceskosten geÃĢist.

Dat verzoek werd afgewezen omdat volgens de rechter niet is voldaan aan de strenge voorwaarden die daarvoor gelden, zoals misbruik van procesrecht.

Niet alle eisen toegewezen

De chauffeur wilde verder dat zijn werkgever onjuistheden in eerder ingevulde re-integratieformulieren zou corrigeren.

Deze vordering werd afgewezen omdat onvoldoende duidelijk was gemaakt welke gegevens onjuist waren en hoe deze moesten worden aangepast.

De rechter wees erop dat partijen tijdens het mediationtraject eventueel gezamenlijk nieuwe evaluatieformulieren kunnen opstellen.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat het transportbedrijf de opgelegde verplichtingen moet nakomen, ook wanneer hoger beroep wordt ingesteld.

De uitspraak betreft een voorlopige voorziening in kort geding. De kantonrechter heeft daarom een voorlopig oordeel gegeven over het handelen van de werkgever.

spot_img

Transportrisico

Van der Lee

Hankook Tyres

MEER NIEUWS