ROTTERDAM – Een transportbedrijf is aansprakelijk voor het niet afleveren van een lading van 26 pallets zonnepanelen die op 15 juni 2023 in een vrachtwagen werd geladen. Dat blijkt uit een vandaag gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank begroot de schade op 66.742 euro. Door verrekening met nog openstaande transportfacturen moet de opdrachtgever uiteindelijk echter nog 11.343,74 euro aan de vervoerder betalen.
De zaak draaide om een transportopdracht waarbij 26 pallets met zonnepanelen vanuit een opslaglocatie moesten worden opgehaald. De vervoerder had vooraf de kentekens van de vrachtwagen waarmee de goederen zouden worden opgehaald aan de opdrachtgever doorgegeven.
De rechtbank had in een tussenvonnis bepaald dat de opdrachtgever moest bewijzen dat de 26 pallets daadwerkelijk in de vrachtwagen met deze kentekens waren geladen.
Chauffeur vertrok zonder CMR te tekenen
Tijdens een getuigenverhoor verklaarde een magazijnmedewerkster dat zij op 15 juni 2023 het referentienummer en de kentekens van de aangekomen vrachtwagen had gecontroleerd. Deze kwamen overeen met de gegevens die de vervoerder vooraf had doorgegeven.
De chauffeur wilde volgens haar vóór het laden de CMR-vrachtbrief niet ondertekenen. Hij zou na het laden terugkomen om dat alsnog te doen.
De vrachtwagen werd vervolgens bij een loadingdock geladen door twee zzp’ers. Kort daarna kwamen zij terug met de mededeling dat de chauffeur was vertrokken. De chauffeur bleek niet meer aanwezig en had de CMR-vrachtbrief niet voor ontvangst ondertekend.
Een van de zzp’ers had de vrachtbrief wel ondertekend ter bevestiging van het laden.
Ook uit e-mailverkeer van dezelfde dag bleek dat de chauffeur zonder ondertekende CMR was vertrokken. De opdrachtgever meldde aan de vervoerder dat de chauffeur de CMR was vergeten. De vervoerder antwoordde daarop dat werd geprobeerd de chauffeur te bereiken en terug te sturen.
26 pallets waren volgens rechtbank zonnepanelen
De vervoerder betwistte dat voldoende was bewezen dat daadwerkelijk 26 pallets zonnepanelen in de betreffende vrachtwagen waren geladen. De getuigen waren zelf niet bij het laden aanwezig geweest en hadden achteraf ook niet persoonlijk gecontroleerd of de zonnepanelen uit de opslag waren verdwenen.
De rechtbank gaat daarin niet mee.
Uit de getuigenverklaringen blijkt volgens de rechtbank dat in de betreffende loods op dat moment uitsluitend zonnepanelen waren opgeslagen en dat deze allemaal op pallets waren geplaatst. Daarom kunnen de 26 pallets die op de CMR-vrachtbrief stonden vermeld volgens de rechtbank alleen pallets met zonnepanelen zijn geweest.
In combinatie met de getuigenverklaringen, de CMR-vrachtbrief en het e-mailverkeer acht de rechtbank voldoende bewezen dat de 26 pallets daadwerkelijk in de vrachtwagen met de door de vervoerder opgegeven kentekens zijn geladen.
Niet afgeleverd op bestemming
Omdat de goederen vervolgens niet op de bestemming zijn afgeleverd, is de vervoerder volgens de rechtbank tekortgeschoten in de resultaatsverplichting om de voor vervoer ontvangen goederen op de bestemming af te leveren.
Van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van de vervoerder is volgens een eerder oordeel van de rechtbank geen sprake.
Waarde zonnepanelen ruim 108.000 euro
De waarde van de verloren zonnepanelen bedroeg volgens de rechtbank 108.558 euro. Dat bedrag kan echter niet volledig op de vervoerder worden verhaald.
De aansprakelijkheid van de vervoerder wordt beperkt tot 3,40 euro per kilogram. Volgens de CMR-vrachtbrief woog de lading zonnepanelen 19.630 kilogram.
Daarmee komt de te vergoeden schade uit op 66.742 euro.
Openstaande transportfacturen verrekend
Tegelijkertijd had de vervoerder nog een vordering van 78.057,10 euro vanwege eerder uitgevoerde opdrachten waarvoor facturen niet waren betaald.
De rechtbank oordeelt dat de schadevergoeding van 66.742 euro met de openstaande facturen mocht worden verrekend.
Na verrekening resteert uiteindelijk een bedrag van 11.343,74 euro dat de opdrachtgever nog aan de vervoerder moet betalen. Daar komt wettelijke handelsrente bij. Daarnaast moet de opdrachtgever 888,44 euro aan buitengerechtelijke kosten betalen.
Proceskosten voor beide partijen
Hoewel de vervoerder uiteindelijk nog geld ontvangt, is het transportbedrijf volgens de rechtbank in de oorspronkelijke procedure grotendeels in het ongelijk gesteld. De vervoerder moet daarom 7.627 euro aan proceskosten van de andere partij betalen.
De opdrachtgever moet op zijn beurt in de tegenvordering 2.124 euro aan proceskosten van de vervoerder betalen.
Het vonnis van de rechtbank Rotterdam werd op 23 september uitgesproken en is vandaag, 30 september 2026, gepubliceerd.






