DEN HAAG – De Raad van State heeft geoordeeld dat een transportbedrijf ten onrechte is bestraft voor het zonder kennisgeving vervoeren van grond van Nederland naar een groeve in Duitsland. Volgens de hoogste bestuursrechter was de vervoerde grond geen afvalstof, maar een bijproduct. Daardoor was geen sprake van een illegale grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen en ontbrak de bevoegdheid om handhavend op te treden.
De zaak draait om een transport van grond afkomstig van een wegenbouwproject in Echt naar een groeve in het Duitse Havert. De grond werd gebruikt om de ruimte die was ontstaan door de winning van zand en grind weer op te vullen. Bij een controle op 30 oktober 2019 stelde de Regionale Uitvoeringsdienst Zuid-Limburg vast dat voor het transport geen kennisgeving was gedaan en geen toestemming was verleend op grond van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).
Naar aanleiding daarvan legde de toenmalige minister voor Milieu en Wonen in 2020 een last onder dwangsom op. Later werd het maximale bedrag van €100.000 aan dwangsommen ingevorderd en volgde een nieuwe last onder dwangsom met een hoger maximumbedrag.
Grond is bijproduct en geen afvalstof
De Raad van State oordeelt dat de betreffende grond voldoet aan alle voorwaarden om als bijproduct te worden aangemerkt. De grond kwam vrij tijdens de aanleg van een weg, was vooraf onderzocht, kon zonder verdere bewerking direct worden toegepast in de Duitse groeve en voldeed aan de geldende milieuvoorschriften. Ook stond vooraf vast dat de grond daadwerkelijk voor het opvullen van de groeve zou worden gebruikt.
Omdat de grond daarmee geen afvalstof is, was volgens de Raad van State geen sprake van een illegale overbrenging van afvalstoffen. De staatssecretaris had daarom niet de bevoegdheid om handhavend op te treden.
Besluiten vernietigd
De Raad van State vernietigt het besluit op bezwaar uit 2021, herroept zowel de oorspronkelijke last onder dwangsom als het invorderingsbesluit van €100.000 en vernietigt ook de tweede last onder dwangsom. Daarnaast moet de staatssecretaris de proceskosten en het griffierecht vergoeden.
Verder kent de Raad van State een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. Die duurde ruim vier jaar langer dan redelijk werd geacht. In totaal ontvangt de onderneming daarvoor €4.500 aan immateriële schadevergoeding.







