DEN HAAG – In het Nederlandse goederenvervoer over de weg zijn in de eerste zes maanden van 2026 in totaal 75 bedrijven failliet verklaard. Dat zijn er aanzienlijk meer dan in dezelfde periode vorig jaar, toen 52 transportbedrijven failliet gingen. Ondanks de oplopende kosten voor vervoerders ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om aanvullende steunmaatregelen te nemen.
Dat blijkt uit antwoorden van minister Vincent Karremans van Infrastructuur en Waterstaat op Kamervragen van Heutink (Groep Markuszower). De vragen werden op 21 september gesteld naar aanleiding van berichtgeving in de media over transportbedrijven die onder druk staan door hoge dieselprijzen en de invoering van de vrachtwagenheffing.
De minister erkent dat transportondernemers momenteel met grote uitdagingen worden geconfronteerd. Naast de hoge energieprijzen spelen stijgende loonkosten, investeringen in digitalisering en cyberveiligheid en toenemende problemen met de Nederlandse infrastructuur een rol.
Aantal faillissementen fors gestegen
Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gingen in de eerste helft van 2026 in totaal 75 bedrijven in het goederenvervoer over de weg failliet.
In dezelfde periode van voorgaande jaren werden de volgende aantallen geregistreerd:
2021: 44 faillissementen
2022: 34 faillissementen
2023: 55 faillissementen
2024: 98 faillissementen
2025: 52 faillissementen
2026: 75 faillissementen
Daarmee ligt het aantal faillissementen in de eerste helft van 2026 ongeveer 44 procent hoger dan een jaar eerder. Ten opzichte van 2024, toen in dezelfde periode 98 bedrijven failliet gingen, ligt het aantal nog wel lager.
Het CBS heeft eerder aangegeven dat het aantal faillissementen in alle bedrijfstakken in 2021 en 2022 historisch laag was.
Volgens Karremans hangt een faillissement af van meerdere factoren, waaronder de financiële positie van een onderneming en de afspraken die met opdrachtgevers zijn gemaakt over het doorberekenen van kostenstijgingen.
Veel transportbedrijven hebben volgens de minister een brandstofclausule in hun contracten opgenomen, waarmee hogere brandstofkosten kunnen worden doorberekend.
Vrachtwagenheffing tijdelijk 22,3 procent goedkoper
Het kabinet wijst op verschillende maatregelen die al zijn genomen om de financiële druk op transportbedrijven te verlichten.
Zo zijn de tarieven van de vrachtwagenheffing voor de periode van 1 september tot en met 31 december 2026 tijdelijk met 22,3 procent verlaagd.
Daarnaast is de motorrijtuigenbelasting voor vrachtwagens van 12 ton of meer tussen 1 juli en 31 december 2026 op nul gezet.
Ook wil het kabinet de tijdelijke accijnskorting op diesel met twee jaar verlengen. Daarbij blijft de korting in 2027 bestaan en wordt deze in 2028 afgebouwd.
Door de voorgenomen verlenging zou de dieselaccijns in 2027 ongeveer 0,55 euro per liter bedragen, in plaats van circa 0,67 euro per liter zonder verlenging.
Volgens de minister moeten deze maatregelen de lastenstijging voor de transportsector beperken.
Transportkosten stijgen volgens kabinet met 1 tot 3 procent
In de Kamervragen wordt ook aandacht gevraagd voor de extra kosten die de vrachtwagenheffing met zich meebrengt voor kleine en middelgrote transportbedrijven.
Volgens Karremans verschillen deze kosten per onderneming. Ze zijn afhankelijk van het aantal gereden kilometers en de typen vrachtwagens die worden ingezet.
Uit onderzoek dat voorafgaand aan de invoering van de vrachtwagenheffing is uitgevoerd, blijkt volgens de minister dat de totale kosten voor de wegvervoerssector door de heffing naar verwachting met 1 tot 3 procent stijgen.
De meeste vervoerders berekenen deze extra kosten volgens het kabinet door aan hun opdrachtgevers.
Ook consumenten gaan iets meer betalen
De minister erkent dat de vrachtwagenheffing en hogere brandstofkosten uiteindelijk invloed hebben op de prijzen van producten, waaronder boodschappen.
Volgens het kabinet blijft dat effect echter beperkt, omdat transportkosten doorgaans slechts een klein onderdeel vormen van de totale kostprijs van producten.
Tijdens de voorbereiding van de Wet vrachtwagenheffing werd de verwachte stijging van de consumentenprijzen als gevolg van de heffing berekend op 0,02 procent.
Het kabinet ziet daarom geen aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen om de gevolgen voor consumenten verder te beperken.
Geen extra verlaging brandstofaccijns of btw
Kamerlid Heutink vroeg de minister ook of het kabinet bereid is de accijns of btw op brandstof verder te verlagen of zelfs af te schaffen, gezien de financiële problemen in de transportsector.
Karremans verwijst in zijn antwoord naar de eerder genomen maatregelen, waaronder de tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en de voorgenomen verlenging van de dieselaccijnskorting.
Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Zorgen over kleine transportbedrijven
In de Kamervragen wordt ook gewezen op het risico dat kleinere transportbedrijven verdwijnen en de sector daardoor steeds verder wordt gedomineerd door grotere ondernemingen.
Volgens de minister is de continuïteit van een transportbedrijf niet uitsluitend afhankelijk van de omvang. Ook de bedrijfsvoering, samenwerking en financiële positie spelen een belangrijke rol.
Het kabinet verwacht voorlopig geen tekort aan concurrentie op de transportmarkt.
Wel zegt Karremans dat de ontwikkelingen nauwlettend worden gevolgd en dat het ministerie contact onderhoudt met vertegenwoordigers van de vervoerssector.
38 procent AanZET-budget naar kleinere ondernemingen
De minister benadrukt dat bij de besteding van de netto-opbrengsten van de vrachtwagenheffing nadrukkelijk aandacht is voor kleinere transportbedrijven.
Deze ondernemingen kunnen via de subsidieregeling AanZET hogere subsidiebedragen ontvangen voor de aanschaf van emissievrije vrachtwagens.
Uit een recente evaluatie blijkt volgens de minister dat kleinere transportbedrijven daadwerkelijk gebruikmaken van de regeling.
Tijdens de openstelling in het voorjaar van 2026 ging 38 procent van het beschikbare subsidiebudget naar kleinere ondernemingen.
Daarnaast zijn subsidies beschikbaar voor laadinfrastructuur, waarmee transportbedrijven de kosten van de overstap naar elektrisch vervoer kunnen beperken.
Slechte infrastructuur zorgt voor extra kosten
Naast de stijgende bedrijfskosten speelt ook de staat van de Nederlandse infrastructuur een belangrijke rol.
Volgens Karremans naderen steeds meer bruggen en viaducten het einde van hun technische levensduur.
Daardoor zijn zowel geplande als onverwachte onderhoudswerkzaamheden en vervangingen noodzakelijk. Dit leidt regelmatig tot hinder voor het vrachtverkeer.
Als voorbeelden noemt de minister de tijdelijke afsluiting van de Papendrechtsebrug in de N3 en de afsluiting van de Merwedebrug in de A27.
Transportbedrijven kunnen door dergelijke afsluitingen worden geconfronteerd met omrijroutes en extra gereden kilometers.
Desondanks ziet het kabinet geen aanleiding om de vrachtwagenheffing tijdelijk buiten werking te stellen.
Volgens Karremans betalen met de vrachtwagenheffing zowel Nederlandse als buitenlandse vrachtwagens voor het gebruik van de Nederlandse wegen.
Ook buitenlandse vervoerders betalen vrachtwagenheffing
De minister stelt dat de invoering van de vrachtwagenheffing bijdraagt aan een gelijker speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse vervoerders.
Voorheen betaalden Nederlandse transportbedrijven motorrijtuigenbelasting en het Eurovignet, terwijl buitenlandse vervoerders alleen het Eurovignet betaalden.
Met de vrachtwagenheffing betalen binnenlandse en buitenlandse vervoerders volgens het kabinet op gelijke wijze voor het gebruik van de Nederlandse wegen.
De bijdrage van buitenlandse vervoerders is daardoor groter dan voorheen.
De netto-opbrengsten van de heffing worden teruggesluisd naar de Nederlandse transportsector, onder meer via subsidies voor elektrificatie.
18 miljard euro voor onderhoud en vernieuwing
Het kabinet erkent dat Nederland voor een grote onderhouds- en vernieuwingsopgave staat.
Volgens Karremans is deze zomer samen met de Tweede Kamer een prioritering van infrastructurele projecten gemaakt.
Daaruit volgt dat het kabinet ongeveer 18 miljard euro beschikbaar wil maken voor noodzakelijk onderhoud en vernieuwing van de infrastructuur.
De minister verwijst daarbij naar de Kamerbrief van 16 oktober 2026 over de prioritering binnen het Mobiliteitsfonds en Deltafonds.
Kabinet blijft inzetten op elektrische vrachtwagens
Ondanks de financiële druk op transportbedrijven blijft het kabinet inzetten op de elektrificatie van het wegvervoer.
Volgens Karremans is deze omschakeling noodzakelijk om de Nederlandse transportsector minder afhankelijk te maken van energie uit landen buiten Europa.
Daarnaast stelt de minister dat elektrisch vervoer in steeds meer situaties goedkoper is dan het gebruik van dieselvrachtwagens.
Het kabinet wil daarom blijven investeren in subsidies voor elektrische vrachtwagens en laadinfrastructuur.
Aanvullende financiële steunmaatregelen voor transportbedrijven zijn voorlopig niet voorzien.







