DEN BOSCH – De rechtbank Oost-Brabant heeft een transportondernemer veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift bij tientallen transporten van runderbloed tussen Duitsland en een co-vergistingsinstallatie in Esbeek. Volgens de rechtbank werden vrachtbrieven, handelsdocumenten en facturen bewust aangepast om te verhullen dat daadwerkelijk bloed werd vervoerd.
De zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek “Kruizemunt Bloed”. De verdachte was bestuurder van een transportbedrijf dat in 2020 in totaal 39 transporten uitvoerde tussen een Duits bedrijf en een vergister in Brabant. In de vergunning van de vergistingsinstallatie stond echter dat bloed niet als toegestaan co-product mocht worden verwerkt.
Na een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 13 maart 2020 veranderden de omschrijvingen op de transportdocumenten plotseling. Waar eerder termen als “runderbloed” en “Blut Rind” werden gebruikt, verschenen later omschrijvingen als “slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed” en “Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut”. Volgens de rechtbank kwam die administratie niet overeen met de daadwerkelijke lading.
Uit verklaringen van getuigen en Duitse veterinaire deskundigen bleek volgens de rechtbank dat het bloed in het slachthuis via een apart gesloten systeem werd opgevangen en technisch niet vermengd kon raken met maag- en darminhoud. Ook chauffeurs verklaarden dat zij telkens vanuit dezelfde tank laadden. De rechtbank concludeerde daarom dat er uitsluitend runderbloed werd vervoerd.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust het risico heeft aanvaard dat valse documenten werden gebruikt. Daarbij speelde mee dat chauffeurs instructies kregen om het woord “bloed” niet meer op de papieren te vermelden. In WhatsApp-berichten werd benadrukt dat nergens meer mocht staan dat bloed werd vervoerd.
Volgens de rechtbank heeft de ondernemer zich laten meeslepen in een frauduleuze werkwijze om goedkopere producten te kunnen vergisten die wettelijk niet waren toegestaan. Wel hield de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte zich baseerde op adviezen van een extern adviesbureau en dat de transporten financieel nauwelijks winst opleverden. Ook woog mee dat de zaak grote gevolgen heeft gehad voor het transportbedrijf en de vergunningen daarvan.
De officier van justitie had een taakstraf van 200 uur geëist, maar de rechtbank legde uiteindelijk een taakstraf van 70 uur op. Daarbij speelde mee dat de redelijke termijn in de strafzaak met ruim twee jaar was overschreden.





