‘S-HERTOGENBOSCH – Een internationaal transportbedrijf hoeft toch niet op te draaien voor ruim een ton aan onbetaald gebleven belastingschulden van een personeelsuitlener. Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat de Belastingdienst zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat de fiscus het recht verloor om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen.
De zaak draaide om een transportonderneming die in 2018 personeel inleende van een uitzendbureau. Dat uitzendbureau bouwde in korte tijd miljoenen euroās aan belastingschulden op bij de Belastingdienst.
Nadat het uitzendbureau failliet ging, stelde de ontvanger van de Belastingdienst het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim 109.000 euro aan onbetaald gebleven naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen.
Miljoenen belastingschuld
Uit de uitspraak blijkt dat het uitzendbureau al langere tijd kampte met betalingsproblemen. In juli 2017 verleende de Belastingdienst uitstel van betaling voor een belastingschuld van ruim 644.000 euro, onder voorwaarde van maandelijkse aflossingen en verpanding van vorderingen.
Hoewel het bedrijf aanvankelijk aan de afspraken voldeed, liepen de belastingschulden in 2018 snel verder op. In september 2018 bedroeg de openstaande schuld al ruim 4,5 miljoen euro.
De Belastingdienst legde beslag op inventaris en trof betalingsregelingen, terwijl het uitzendbureau extra zekerheden beloofde via verpanding van debiteuren.
Pandrecht bleek waardeloos
Volgens het hof ging het mis doordat de Belastingdienst onvoldoende controleerde of de aangeboden zekerheden daadwerkelijk geldig waren.
Later bleek namelijk dat een groot deel van de verpande vorderingen al eerder was overgedragen aan een Luxemburgse factoringmaatschappij. Daardoor kon het uitzendbureau deze vorderingen niet meer rechtsgeldig verpanden aan de Belastingdienst.
Het hof verwijt de ontvanger dat hij onvoldoende onderzoek deed, terwijl hij al wist dat sprake was van factoringconstructies.
āVan een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat die onder die omstandigheden nagaat of [het bedrijf] bevoegd was een pandrecht te vestigen op de vorderingenā, aldus het hof.
Volgens de rechters had de Belastingdienst de factoringovereenkomst moeten opvragen en controleren voordat akkoord werd gegaan met de zekerheden en verdere betalingsuitstel.
Belastingdienst handelde onzorgvuldig
Het hof concludeert dat de Belastingdienst feitelijk uitstel van betaling verleende zonder voldoende zekerheden te controleren of aanvullende maatregelen te nemen.
Daardoor handelde de ontvanger volgens het hof in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en verloor hij de bevoegdheid om het transportbedrijf als inlener aansprakelijk te stellen voor de openstaande belastingschulden.
De aansprakelijkstelling van ruim 109.000 euro werd daarom volledig vernietigd.
Daarnaast moet de Belastingdienst het betaalde griffierecht vergoeden en bijna 1.900 euro aan proceskosten betalen.
De uitspraak kan grote betekenis hebben voor transportbedrijven die werken met ingehuurd personeel of uitzendconstructies. Het hof benadrukt namelijk dat de Belastingdienst zorgvuldig moet omgaan met betalingsregelingen en zekerheden voordat inleners aansprakelijk kunnen worden gesteld voor belastingschulden van uitleners.





