TILBURG – Een vrachtwagenchauffeur die in september 2025 op staande voet werd ontslagen, heeft bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant met succes achterstallig loon, overuren en verschillende vergoedingen opgeëist. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen dringende reden voor het ontslag bestond en dat de cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing was op zijn arbeidsovereenkomst. De twee verweerders moeten de chauffeur gezamenlijk ruim 22.000 euro betalen, exclusief wettelijke verhogingen, rente en proceskosten.
Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 oktober 2026, die op 6 november is gepubliceerd.
De chauffeur trad op 1 april 2025 in dienst bij een werkgever die hem inzette voor het vervoeren van producten van een andere onderneming naar klanten in binnen- en buitenland. Op 10 september 2025 werd hij op staande voet ontslagen. De chauffeur accepteerde dat zijn dienstverband was beëindigd, maar was het niet eens met de reden voor het ontslag en de financiële afwikkeling daarvan.
Hij stapte daarom naar de kantonrechter. Aanvankelijk vroeg hij om documenten die nodig waren om zijn financiële aanspraken te kunnen berekenen. Daarnaast wilde hij dat de rechter zou vaststellen dat er geen dringende reden voor zijn ontslag was en dat de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen op zijn arbeidsovereenkomst van toepassing was.
Werkgevers reageren niet op rechtszaak
Opvallend is dat beide verweerders gedurende de procedure niet bij de rechtbank zijn verschenen en geen verweer hebben gevoerd. Ook nadat de chauffeur zijn financiële eisen had uitgebreid, bleef een reactie uit.
De kantonrechter had op 30 april 2026 al een tussenbeschikking gegeven waarin werd geoordeeld dat de verzoeken van de chauffeur konden worden toegewezen. Vervolgens kreeg de chauffeur gelegenheid om zijn financiële vorderingen nader uit te werken.
De gewijzigde eisen werden in september 2026 door een deurwaarder aan beide verweerders betekend. Ook de rechtbank stuurde de stukken per aangetekende post toe, met het verzoek binnen veertien dagen te reageren.
De aangetekende brieven werden echter niet aangenomen of afgehaald. Een van de brieven kwam op 14 oktober retour met de vermelding ‘niet afgehaald’.
Volgens de kantonrechter hebben zowel de chauffeur als de rechtbank ruimschoots geprobeerd om de verweerders te bereiken en hun de gelegenheid te geven alsnog te reageren. Omdat zij daarvan geen gebruik maakten, ging de rechter uit van de juistheid van de stellingen van de chauffeur, voor zover de verzoeken niet ongegrond of onrechtmatig waren.
Cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing
Een belangrijk onderdeel van de zaak was de toepasselijkheid van de cao Beroepsgoederenvervoer. De chauffeur stelde dat zijn werkzaamheden moesten worden ingedeeld in functieklasse E, trede 1. Daarbij hoorde volgens hem een basissalaris van 2.918,07 euro bruto per maand op basis van een veertigurige werkweek.
De kantonrechter stelde vast dat de cao op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. Wel corrigeerde de rechter de salarisberekening van de chauffeur.
De chauffeur had namelijk eerder verklaard dat hij 38 uur per week werkte. Daarom mocht zijn achterstallige salaris niet worden berekend op basis van een werkweek van 40 uur.
Bij een werkweek van 38 uur kwam het basissalaris volgens de rechtbank uit op 2.772,17 euro bruto per maand. Inclusief 8 procent vakantietoeslag bedroeg het maandloon 2.993,94 euro bruto.
Over de periode van 1 april tot 10 september 2025 had de chauffeur volgens de rechter recht op 15.967,68 euro bruto. Uit gegevens van het UWV bleek dat hij in werkelijkheid 12.104,86 euro bruto had ontvangen.
De kantonrechter kende daarom 3.862,82 euro bruto aan achterstallig salaris toe, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50 procent en wettelijke rente.
Ook ruim 5.200 euro aan overuren
Daarnaast maakte de chauffeur aanspraak op betaling van overuren. Volgens de cao moeten uren boven een veertigurige werkweek tegen 130 procent van het loon worden uitbetaald.
Omdat hij niet over de benodigde informatie van zijn werkgever beschikte, had de chauffeur zelf een berekening gemaakt. Daarvoor gebruikte hij onder meer urenoverzichten die hij vanaf 11 augustus 2025 had bijgehouden.
Hij kwam uit op gemiddeld 41,69 overuren per maand, tegen een uurloon van 21,81 euro bruto. Over zijn volledige dienstverband vorderde hij daarmee 5.237,41 euro bruto aan niet-betaalde overuren.
Omdat de verweerders deze berekening niet hadden betwist, wees de kantonrechter het volledige bedrag toe. Ook hierover moeten de maximale wettelijke verhoging van 50 procent en wettelijke rente worden betaald.
Ontslag op staande voet was niet terecht
De kantonrechter had in de eerdere tussenbeschikking al geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht was gegeven, omdat een dringende reden ontbrak.
De chauffeur had zich bij de beëindiging van zijn dienstverband neergelegd, maar kon daardoor nog wel aanspraak maken op financiële vergoedingen wegens het onregelmatige en onterechte ontslag.
Zo kende de rechter een gefixeerde schadevergoeding van 4.843,99 euro bruto toe. Dit bedrag heeft betrekking op het loon dat de chauffeur bij een regelmatige opzegging over de periode van 11 september tot en met 31 oktober 2025 had moeten ontvangen.
De rechtbank berekende dat de vergoeding inclusief vakantietoeslag eigenlijk 4.969,94 euro bruto zou bedragen. Omdat de chauffeur zelf een lager bedrag had gevorderd, kon de rechter niet meer dan de gevraagde 4.843,99 euro toewijzen.
Ook moest een transitievergoeding worden betaald. De chauffeur had daarvoor aanvankelijk 466 euro bruto gevraagd, maar de kantonrechter stelde zelfstandig vast dat hij recht had op een hoger bedrag.
Bij de berekening moest rekening worden gehouden met de opzegtermijn, waardoor het dienstverband voor de berekening van de transitievergoeding geacht werd tot en met 31 oktober 2025 te hebben geduurd.
Daarnaast moesten de gemiddelde overwerkverdiensten worden meegenomen. Het totale maandloon voor deze berekening kwam daardoor uit op 3.903,20 euro bruto.
De rechter stelde de transitievergoeding uiteindelijk vast op 758,92 euro bruto.
Nog eens 7.500 euro billijke vergoeding
Naast het achterstallige salaris, de overuren en de overige vergoedingen kende de kantonrechter ook een billijke vergoeding van 7.500 euro bruto toe.
Volgens de rechtbank moet een ongeldig ontslag op staande voet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
De chauffeur had de gevraagde vergoeding gebaseerd op het inkomen dat hij gedurende de resterende looptijd van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst zou hebben verdiend. Daarbij had hij rekening gehouden met de gefixeerde schadevergoeding en het inkomen dat hij sinds januari 2026 bij een andere werkgever verdiende.
De kantonrechter vond de gevraagde 7.500 euro, gelet op de onderbouwing van de chauffeur, alleszins redelijk.
Arbeidsovereenkomst mogelijk bedoeld om cao te ontwijken
De chauffeur had beide verweerders aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van zijn ontslag.
Volgens hem was de arbeidsovereenkomst uitsluitend op papier aangegaan met de eerste verweerder om de toepasselijkheid van de cao Beroepsgoederenvervoer te ontwijken. De bedrijfsactiviteiten zouden in werkelijkheid vanuit de tweede verweerder zijn uitgevoerd, waarvoor hij feitelijk uitsluitend werkzaamheden verrichtte.
De kantonrechter wees de gevraagde hoofdelijke aansprakelijkheid toe, omdat beide verweerders hiertegen geen verweer hadden gevoerd.
Dat betekent dat de chauffeur de toegewezen bedragen bij beide verweerders kan opeisen, waarbij betaling door de een de betalingsverplichting van de ander voor hetzelfde bedrag vermindert.
Ruim 22.000 euro exclusief verhogingen en rente
De totale toegewezen hoofdsom bedraagt 22.203,14 euro. Dit bedrag bestaat uit 3.862,82 euro achterstallig salaris, 5.237,41 euro aan overuren, 4.843,99 euro gefixeerde schadevergoeding, 758,92 euro transitievergoeding en 7.500 euro billijke vergoeding.
Daarbovenop komen de wettelijke verhogingen van maximaal 50 procent over het achterstallige salaris en de overuren, evenals wettelijke rente over verschillende bedragen.
Ook moeten de verweerders gezamenlijk 1.099 euro aan proceskosten betalen.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen moeten worden uitgevoerd, ook wanneer eventueel hoger beroep wordt ingesteld.





