DEN HAAG – Jongere generaties hebben op dezelfde leeftijd doorgaans meer koopkracht en een hoger vermogen dan generaties voor hen. Dat geldt onder meer voor millennials ten opzichte van babyboomers en generatie X. Voor jongvolwassenen ligt dat beeld echter anders: tot ongeveer 30 jaar hebben millennials en generatie Z juist minder vermogen dan hun voorgangers op die leeftijd. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Het CBS onderzocht hoe de financiële positie van verschillende geboortegeneraties zich gedurende hun leven heeft ontwikkeld. Daarbij is gekeken naar koopkracht, vermogen en eigenwoningbezit.
De onderzoekers onderscheiden onder meer de stille generatie, geboren voor 1945, babyboomers uit 1945 tot 1955, generatie X uit 1955 tot 1970, de zogenoemde pragmaten uit 1970 tot 1985, millennials uit 1985 tot 2000 en generatie Z uit 2000 tot 2015.
Koopkracht op 45-jarige leeftijd bijna anderhalf keer zo hoog
Doordat de koopkracht tussen 1977 en 2024 is gestegen, hebben jongere generaties op vrijwel iedere leeftijd meer te besteden dan oudere generaties op dezelfde leeftijd.
Een duidelijk voorbeeld is de situatie van 45-jarigen. De generatie geboren tussen 1970 en 1985 had op die leeftijd een gemiddelde koopkracht van 44.100 euro, tegenover 31.400 euro voor babyboomers toen zij 45 waren. Dat is ongeveer 40 procent meer.
Tot ongeveer 25-jarige leeftijd hebben jongere generaties juist minder te besteden. Volgens het CBS speelt daarbij mee dat jongeren tegenwoordig langer doorleren.
De ontwikkeling gedurende het leven vertoont bij de verschillende generaties ongeveer hetzelfde patroon. De koopkracht neemt doorgaans toe tot ongeveer het 55e levensjaar en daalt daarna.
Millennials zagen vermogen als dertiger sterk groeien
Ook bij het vermogen zijn grote verschillen zichtbaar. Jongere generaties hebben op dezelfde leeftijd meestal een hoger doorsnee vermogen dan hun voorgangers. Dat hangt volgens het CBS onder meer samen met de sterke stijging van de huizenprijzen, vooral tussen 2014 en 2022.
Voor millennials was die ontwikkeling vooral zichtbaar tussen hun 30e en 40e levensjaar. Op 30-jarige leeftijd bedroeg hun doorsnee vermogen ongeveer 9.000 euro. Op 39-jarige leeftijd was dat gestegen naar 118.200 euro.
Daarmee verliep de vermogensgroei voor millennials als dertiger veel sneller dan bij oudere generaties op dezelfde leeftijd.
Voor jongvolwassenen geldt echter het tegenovergestelde. Tot ongeveer 30-jarige leeftijd hebben de generaties die vanaf 1985 zijn geboren juist minder vermogen dan eerdere generaties op dezelfde leeftijd.
Eigen woning niet vanzelfsprekender voor jongste generaties
Meer koopkracht en vermogen betekenen niet automatisch dat jongere generaties ook vaker een eigen huis hebben. Het eigenwoningbezit is sinds de jaren zeventig weliswaar sterk toegenomen, maar de verschillen lopen per leeftijd uiteen.
De generatie geboren tussen 1970 en 1985 heeft tussen het 25e en 45e levensjaar het vaakst een eigen woning. Vanaf ongeveer 45 jaar is het eigenwoningbezit vrijwel gelijk aan dat van generatie X.
Generatie Z blijft als begintwintiger juist iets achter bij eerdere generaties. Het CBS noemt het woningtekort en de relatief hoge huizenprijzen als oorzaken.
Economische crises duidelijk zichtbaar
Ook economische crises zijn volgens het CBS terug te zien in de financiële ontwikkeling van generaties. Babyboomers kregen als twintiger en dertiger te maken met de economische recessie van begin jaren tachtig. Daarnaast werkten vrouwen binnen deze generatie vaker minder of stopten zij met werken wanneer er kinderen kwamen.
De financiële crisis van 2009 tot en met 2013 had eveneens gevolgen. Bij de stille generatie daalde het vermogen toen zij ongeveer 70 tot 75 jaar waren en bij babyboomers gebeurde dat tussen het 60e en 65e levensjaar. Jongere generaties werden hierdoor volgens het CBS minder sterk getroffen.







