DEN HAAG – Ruud Stroombergen, kritisch lid van FNV en actief binnen de FNV-subsector Transport en Logistiek, heeft in een uitgebreide notitie aan de vaste Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid kritische vragen opgeworpen over de legitimiteit van de algemeen verbindendverklaring (AVV) van de cao Beroepsgoederenvervoer. Volgens Stroombergen roept het huidige systeem fundamentele vragen op over representativiteit, democratische legitimatie en verplichte sectorale bijdragen.
In de notitie stelt Stroombergen dat cao’s door een AVV feitelijk het karakter krijgen van publieke regelgeving, terwijl zij oorspronkelijk privaatrechtelijke afspraken zijn tussen sociale partners. De cao Beroepsgoederenvervoer 2026 wordt daarbij omschreven als een zogenoemde norm-cao, waarbij afwijking van de bepalingen in beginsel niet mogelijk is.
Twijfels over democratische legitimatie
Volgens Stroombergen staat de legitimiteit van die sectorbrede en dwingende normstelling onder druk. In de stukken wordt gewezen op beperkte ledenparticipatie, het ontbreken van formele stemprocedures en het gebruik van niet-bindende enquêtes bij cao-trajecten.
In een bijgevoegde kernnotitie wordt gesteld dat werknemersinspraak in de praktijk grotendeels plaatsvindt via consultatieve enquêtes waarbij ook niet-leden worden betrokken. Formele ledenvergaderingen en stemmingen zouden beperkt zijn of ontbreken.
Daarnaast verwijst Stroombergen naar een uitspraak van de Ondernemingskamer uit 2025 over interne governanceproblemen bij de FNV. Volgens de notitie bevestigt die uitspraak problemen rond draagvlak, mandatering en besluitvorming binnen de vakbond.
Kritiek op verplichte bijdragen
Verder stelt Stroombergen vragen over verplichte bijdragen aan sectorfondsen zoals SOOB en VUT-regelingen. Volgens hem worden werknemers en werkgevers financieel verplicht bij te dragen zonder directe zeggenschap over de besteding van die middelen.
De notitie spreekt van een “gelaagd en verweven stelsel” waarin normstelling, uitvoering en financiële aanwending plaatsvinden binnen dezelfde kring van organisaties. Dat zou volgens Stroombergen vragen oproepen over tegenmacht, controle en staatsrechtelijke legitimatie.
Dertien vragen aan minister
In de stukken formuleert Stroombergen dertien concrete vragen voor de minister. Die gaan onder meer over:
- de toetsing van representativiteit van cao-partijen
- de legitimatie van norm-cao’s met een dwingend karakter
- verplichte sectorale bijdragen
- de verhouding van het AVV-stelsel tot artikel 11 EVRM en ILO-verdragen
- en de actuele stand van de AVV-procedure voor de cao Beroepsgoederenvervoer 2026
Ook wijst hij erop dat de cao Beroepsgoederenvervoer 2026 meerdere keren zou zijn aangemeld bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wat volgens hem vragen oproept over het moment waarop de cao als definitief wordt beschouwd binnen het AVV-traject.
De kernconclusie van de notitie luidt dat sprake zou zijn van “dwingende en sectorbrede normstelling zonder aantoonbaar bindend mandaat van werknemers”.





