HAARLEM – Een voormalig bestuurder van een transportbedrijf is terecht persoonlijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde loonheffingen en omzetbelasting. Dat heeft de rechtbank Noord-Holland geoordeeld. Het gaat om een bedrag van 727.992 euro, inclusief kosten en boetes.
De zaak draaide om een transportbedrijf dat sinds augustus 2020 actief was in de sector. Het bedrijf liet over de periode februari 2021 tot en met maart 2023 aanzienlijke belastingbedragen onbetaald. Ook werden aangiften omzetbelasting en loonheffing veelvuldig niet of te laat gedaan. In februari 2025 werd het bedrijf failliet verklaard.
Volgens de Belastingdienst was de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk, omdat geen tijdige en rechtsgeldige melding van betalingsonmacht was gedaan. De bestuurder stelde juist dat die melding wel was gedaan via een verzoek om bijzonder corona-uitstel.
Geen geldige melding via corona-uitstel
De rechtbank volgt de Belastingdienst grotendeels. Het verzoek om corona-uitstel uit januari 2022 kon volgens de rechtbank niet gelden als rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Het bedrijf had daarbij gesteld dat sprake was van terugvallende opdrachten door de coronacrisis, maar uit de omzetcijfers bleek juist sprake van groei. Zo steeg de omzet van ruim 1,4 miljoen euro in 2020 naar 7,2 miljoen euro in 2021 en 8,3 miljoen euro in 2022.
Wel oordeelt de rechtbank dat een later verzoek om betalingsregeling van 1 mei 2023 voor de tijdvakken februari en maart 2023 als tijdige melding van betalingsonmacht kan worden gezien. Ook dat helpt de bestuurder echter niet, omdat volgens de rechtbank sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Betalingen aan gelieerde bedrijven en privéontvangsten
De rechtbank vindt onder meer van belang dat de bestuurder onvoldoende zicht had op de financiële positie van het bedrijf, terwijl de belastingschulden snel opliepen. Ook werden grote bedragen overgemaakt aan gelieerde vennootschappen. Volgens de Belastingdienst ging het in de periode 2020 tot en met oktober 2022 om ruim 3,8 miljoen euro.
Daarnaast ontving de bestuurder volgens de stukken tussen augustus 2020 en augustus 2023 per saldo ruim 723.000 euro op zijn privérekening van gelieerde vennootschappen. Daarvan was ruim 253.000 euro als nettoloon te herleiden. Voor het resterende bedrag van ruim 470.000 euro werd volgens de rechtbank geen duidelijke verklaring gegeven.
De rechtbank oordeelt dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld. De bestuurder wist, of had moeten begrijpen, dat belastingschulden onbetaald zouden blijven.
Beroep ongegrond
Ook de aansprakelijkheid voor invorderingskosten en verzuimboetes blijft in stand. De rechtbank ziet geen ruimte om het bedrag te matigen vanwege de persoonlijke draagkracht van de bestuurder.
Het beroep is ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak kan nog hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.





