DEN HAAG – Het Gerechtshof Den Haag wil prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het Nederlandse verbod op het gebruik van Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens. Aanleiding is een zaak van transportonderneming VEGA International Car-Transport and Logistic-Trading Gesellschaft m.b.h. en VEGA International Car-Transport GmbH tegen de Staat der Nederlanden.
VEGA vervoert in opdracht van klanten fabrieksnieuwe voertuigen, met name vrachtwagentrekkers, op eigen wielen binnen de Europese Unie. Daarbij gebruikt het bedrijf Duitse en Oostenrijkse handelaarskentekens. In Nederland worden die kentekens echter niet als geldig erkend, omdat zij niet aan één specifiek voertuig zijn gekoppeld. Daardoor worden chauffeurs van VEGA volgens het hof met regelmaat staande gehouden, krijgen zij boetes opgelegd en worden voertuigen soms zelfs in beslag genomen.
VEGA stelt dat Nederland daarmee het vrije verkeer van goederen belemmert en eist dat de relevante bepalingen uit de Wegenverkeerswet buiten toepassing blijven voor haar transporten. De rechtbank Den Haag wees die vorderingen eerder af, maar het hof ziet nu aanleiding om de kwestie voor te leggen aan het Europese Hof.
Het hof stelt vast dat het Nederlandse verbod op het gebruik van buitenlandse handelaarskentekens een belemmering vormt van het vrije verkeer van goederen. Volgens het hof is bovendien de vraag of Nederland dat verbod wel voldoende kan rechtvaardigen onder het Europese recht.
De Staat beroept zich onder meer op verkeersveiligheid, opsporing van strafbare feiten, handhaving van verkeersregels en milieuvoorschriften. Het hof zet daar echter vraagtekens bij. Zo wijst het erop dat Nederlandse handelaarskentekens wel zijn toegestaan en dat ook Belgische, Luxemburgse en in bepaalde gevallen Duitse handelaarskentekens in Nederland mogen worden gebruikt. Daardoor lijkt het verbod volgens het hof niet samenhangend en stelselmatig te worden toegepast.
Ook bij de aangevoerde belangen ziet het hof problemen. Voor de opsporing van strafbare feiten met ANPR-camera’s geldt volgens het hof dat die opsporing ook lastiger is bij Nederlandse handelaarskentekens. Voor milieuovertredingen kan op buitenlandse kentekens momenteel überhaupt nog niet worden gehandhaafd. En voor andere verplichtingen, zoals APK, verzekering en belastingen, heeft de Staat volgens het hof onvoldoende duidelijk gemaakt waarom koppeling van kenteken aan een specifiek voertuig in deze gevallen noodzakelijk is.
Wat overblijft, is de vraag of Nederland voertuigen met handelaarskentekens uit Duitsland en Oostenrijk mag weren op basis van problemen die vooral zouden kunnen spelen bij kentekens uit andere lidstaten. Precies daarover wil het hof nu duidelijkheid van het Hof van Justitie van de EU.
De conceptvraag die het hof wil voorleggen komt er in de kern op neer of een lidstaat in strijd handelt met het vrije verkeer van goederen als voertuigen met een handelaarskenteken uit een bepaalde lidstaat niet worden toegelaten, terwijl die weigering niet kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die specifiek met die lidstaat samenhangen, maar alleen door bredere bezwaren tegen handelaarskentekens uit andere landen.
Partijen mogen zich eerst uitlaten over de formulering van die vraag. De zaak is daarvoor verwezen naar 5 mei 2026. Daarna beslist het hof of en in welke vorm de prejudiciële vraag daadwerkelijk aan het EU-Hof wordt gesteld.




