Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft geoordeeld dat de minister de betrokken onderneming terecht boetes heeft opgelegd wegens meerdere overtredingen van de meststoffenregelgeving rond het vervoer van champost. Wel matigt het CBB het totale boetebedrag verder, omdat de redelijke termijn is overschreden. Dat blijkt uit de uitspraak van 16 december 2025.
Controle NVWA en 67 vrachten champost
De onderneming is actief als intermediair in het vervoer van dierlijke meststoffen. Na een controle door toezichthouders van de NVWA bij een afnemer, bleek uit het VDM-register van RVO dat in de periode 24 januari 2019 tot en met 14 mei 2020 in totaal 67 vrachten champost en gescheiden champost waren aangevoerd, waarbij onder meer niet was bemonsterd en het vervoer niet via automatische gegevensregistratie (AGR) en GPS was gemeld.
Uit nader onderzoek concludeerden toezichthouders dat de onderneming deze vrachten had vervoerd en daarbij verschillende voorschriften had overtreden. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van bevindingen.
Boetes opgelegd en deels aangepast in bezwaar
De minister legde met een boetebesluit van 3 september 2021 een boete op van in totaal ⬠26.100,- voor zeven overtredingen, met een matiging van ⬠2.500,- omdat er meer dan 26 weken zat tussen het rapport van bevindingen en de boeteoplegging.
In bezwaar werd het boetebedrag bij besluit van 18 februari 2022 verlaagd naar ⬠25.200,-. Onder meer verviel de boete voor het vervoer zonder GPS-apparatuur vanwege eendaadse samenloop met het ontbreken van AGR, en werd bij het onvolledig invullen van VDMās deels dubbele beboeting gecorrigeerd.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep vervolgens ongegrond, waarna de onderneming in hoger beroep ging.
Hoger beroep: discussie over verwijtbaarheid en evenredigheid
In hoger beroep richtte de onderneming zich nog op vier overtredingen:
- het niet nemen van een representatief monster (bemonstering) bij de vervoerde vrachten;
- het niet volledig opmaken van VDMās (o.a. ontbreken mestopslagnummer);
- het niet naar waarheid opmaken van VDMās (o.a. onterechte opmerkingencode 37);
- het niet naar waarheid indienen van gegevens op VDMās (o.a. afwijkende tenaamstelling vervoerder).
De onderneming betwistte niet dat de overtredingen waren begaan, maar vond dat deze haar (in elk geval deels) niet konden worden verweten en dat het beboeten per vracht niet evenredig was.
CBB: voorschriften dienen milieubelang, onderneming verantwoordelijk
Het CBB volgt die redenering niet. Volgens het College zijn de voorschriften uit de Meststoffenwet juist bedoeld om milieurisicoās door overbemesting te beperken en is een transparante, tijdige en correcte administratie van elke vervoersbeweging essentieel. Ook bij champost gelden daarom bemonsterings- en administratieve verplichtingen.
Daarnaast benadrukt het CBB dat de onderneming zelf verantwoordelijk blijft voor het naar waarheid invullen en indienen van VDMās, ook als werknemers of administratie de documenten opstellen en controleren.
Boetes voor twee overtredingen 90% gematigd door gewijzigd beleid
Belangrijk in deze zaak is dat de minister in hoger beroep zelf heeft aangegeven dat ā door gewijzigd beleid ā de boetes voor twee overtredingen fors omlaag moeten:
- boete overtreding āniet volledig opmaken VDMāsā naar ⬠1.220,-;
- boete overtreding āniet bemonsterenā naar ⬠2.010,-.
Voor de overige boetes ziet het CBB geen aanleiding voor extra matiging. De boetes voor āniet naar waarheid opmakenā en āniet naar waarheid indienenā blijven volgens de uitspraak ⬠900,- en ⬠10.050,-.
Totaalboete naar ⬠11.666,- vanwege overschrijding redelijke termijn
Het CBB matigt het totaalbedrag vervolgens nog extra vanwege overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM). Uitgaande van het boetevoornemen op 6 november 2020 is de termijn van vier jaar overschreden met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden.
Uiteindelijk stelt het College de totale boete vast op ⬠11.666,-.
Daarnaast moet de minister het in hoger beroep betaalde griffierecht van ⬠548,- vergoeden en is de minister veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep tot ⬠1.814,-.






