BREDA – Een bedrijf dat zich bezighoudt met de import en opslag van voedings- en levensmiddelen moet een boete van 24.000 euro betalen wegens zes overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De onderneming kon de identiteit van zes personen die een vrachtwagen hadden gelost niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn vaststellen. Dat blijkt uit een vandaag, vrijdag 16 oktober 2026, gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank verklaarde het beroep van het bedrijf tegen de opgelegde boete ongegrond. Volgens de rechter is de onderneming verantwoordelijk voor de naleving van de wettelijke verplichtingen, ook wanneer de dagelijkse leiding aan iemand anders is overgedragen.
Vrachtwagen gelost met dozen thee
De zaak kwam aan het licht tijdens een onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie. Inspecteurs controleerden de onderneming samen met medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel, de Belastingdienst, de gemeente Oosterhout, de politie en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Tijdens het onderzoek werden onder meer camerabeelden van het bedrijf bekeken. Deze beelden waren op 12 juli 2023 door de politie beschikbaar gesteld aan de inspecteurs.
Op de beelden was te zien hoe op 17 maart 2023 een vrachtwagen werd gelost en goederen, waaronder dozen thee, naar de bedrijfsloods werden gebracht.
In totaal waren acht personen aan het werk. Eén van hen had de leiding over de werkzaamheden. Van de overige zeven arbeidskrachten kon de identiteit van één persoon later worden vastgesteld.
De identiteit van de zes andere arbeidskrachten bleef onbekend.
Identiteit niet binnen 48 uur vastgesteld
Op 19 oktober 2023 kreeg het bedrijf van de Arbeidsinspectie de opdracht om binnen 48 uur de identiteit van de zes personen vast te stellen.
Volgens artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen moet een werkgever na een dergelijke vordering de identiteit van betrokken arbeidskrachten vaststellen aan de hand van geldige identiteitsdocumenten en daarvan een afschrift aan de toezichthouder verstrekken.
De onderneming voldeed niet binnen de gestelde termijn aan deze verplichting.
De Arbeidsinspectie stelde daarop op 12 april 2024 een boeterapport op.
Op 7 augustus 2024 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bestuurlijke boete van 24.000 euro op.
Het wettelijke boetenormbedrag bedroeg 8.000 euro per overtreding. Omdat aanvankelijk werd uitgegaan van normale verwijtbaarheid, werd 50 procent van dit bedrag toegepast. Voor de zes overtredingen kwam de boete daarmee uit op 24.000 euro.
Bedrijf stelt dat werkzaamheden onderdeel waren van diefstal
De onderneming maakte bezwaar tegen de boete en stapte uiteindelijk naar de rechtbank.
Volgens het bedrijf waren de werkzaamheden niet in zijn opdracht uitgevoerd en maakten de activiteiten op de camerabeelden deel uit van een diefstal waarbij goederen uit de bedrijfsloods waren ontvreemd.
De gevolmachtigde van de onderneming verbleef op dat moment in Marokko, waar hij ernstig ziek was. Daardoor zou hij niet op de hoogte zijn geweest van de werkzaamheden en deze ook niet hebben kunnen verhinderen.
Het bedrijf stelde daarom dat het niet als werkgever van de zes personen kon worden aangemerkt.
Ook voerde de onderneming aan dat haar geen verwijt kon worden gemaakt van de overtredingen. Subsidiair vroeg zij om verlaging van de boete vanwege verminderde verwijtbaarheid.
Rechtbank: werkgeversbegrip wordt ruim uitgelegd
De rechtbank ging niet mee in deze argumenten.
Volgens de rechter staat vast dat de zes personen daadwerkelijk werkzaamheden hebben verricht in de bedrijfsloods. Het lossen van vrachtwagens en opslaan van goederen behoren bovendien tot de normale bedrijfsactiviteiten van de onderneming.
De rechtbank benadrukt dat het werkgeversbegrip in de Wet arbeid vreemdelingen ruim wordt uitgelegd.
Voor het aanmerken van een onderneming als werkgever is niet noodzakelijk dat sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding.
Ook hoeft een werkgever niet daadwerkelijk op de hoogte te zijn geweest van de werkzaamheden of daarmee te hebben ingestemd.
Het mogelijk maken van arbeid en het niet verhinderen daarvan kan volgens de wet al voldoende zijn om als werkgever te worden aangemerkt.
In dit geval vonden de werkzaamheden plaats onder leiding van een persoon aan wie de gevolmachtigde de dagelijkse leiding van het bedrijf had overgedragen.
Dat de gevolmachtigde zelf in Marokko verbleef, ontsloeg de onderneming volgens de rechtbank niet van haar verantwoordelijkheden.
Onvoldoende toezicht op naleving wettelijke verplichtingen
De rechtbank oordeelde verder dat de onderneming onvoldoende toezicht had gehouden op de naleving van de wettelijke verplichtingen.
Niet is gebleken dat maatregelen waren getroffen om ervoor te zorgen dat de identiteit van arbeidskrachten binnen de voorgeschreven termijn kon worden vastgesteld.
De onderneming had ook aangevoerd dat aangifte was gedaan tegen degene die de dagelijkse leiding had.
Volgens de rechtbank had die aangifte echter betrekking op een andere periode en andere feiten. De aangifte bood daarom geen grond om de verantwoordelijkheid voor de overtredingen weg te nemen.
De rechter concludeerde dat het bedrijf nalatig was geweest.
Boete van 24.000 euro blijft in stand
Bij de beslissing op bezwaar van 19 januari 2026 had de minister de gedragingen als grove schuld aangemerkt. De boete bleef desondanks vastgesteld op 24.000 euro.
De rechtbank hoefde niet te beoordelen of daadwerkelijk sprake was van grove schuld, omdat de opgelegde boete al was gebaseerd op normale verwijtbaarheid en niet was verhoogd.
Ook zag de rechtbank geen aanleiding om de boete te verlagen wegens verminderde verwijtbaarheid.
Het beroep van de onderneming is daarom ongegrond verklaard.
De boete van 24.000 euro blijft in stand. Het bedrijf krijgt het betaalde griffierecht niet terug en ontvangt geen vergoeding van de proceskosten.
De uitspraak dateert van 29 september 2026 en werd op 16 oktober 2026 gepubliceerd.







