spot_imgspot_imgspot_imgspot_img
HomeTRANSPORTNIEUWSWegvervoerChauffeur sluist opbrengsten door naar BV van kinderen, maar fiscus mag van...

Chauffeur sluist opbrengsten door naar BV van kinderen, maar fiscus mag van rechter ruim 64.000 euro per jaar belasten

‘S-HERTOGENBOSCH – Een professionele vrachtwagenchauffeur moet belasting betalen over werkzaamheden waarvan hij de opbrengsten liet toekomen aan een BV waarvan zijn zoon en dochter indirect aandeelhouder waren. Dat heeft het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch geoordeeld in een vandaag gepubliceerde uitspraak. Een door de Belastingdienst opgelegde vergrijpboete van 6.828 euro wordt wel vernietigd, omdat de chauffeur volgens het hof een pleitbaar standpunt had.

De zaak draait om de inkomstenbelasting over 2019 en 2020. De man was enig aandeelhouder en bestuurder van een BV die op haar beurt verschillende vennootschappen bezat. Deze ondernemingen verkeerden in staat van faillissement. Ook de man en zijn echtgenote waren sinds oktober 2016 persoonlijk failliet.

Zijn zoon en dochter bezaten ieder 50 procent van de aandelen in een andere BV. Via deze onderneming waren zij indirect eigenaar van een bedrijf dat zich onder meer bezighield met paarden, agrarische activiteiten, handel in meststoffen en transport.

Chauffeurswerkzaamheden voor derden

De vader verrichtte werkzaamheden voor dit bedrijf. Hij stond van januari tot en met mei 2019 op de loonlijst en ontving in die periode 4.129 euro loon. Daarna stond hij tot eind januari 2020 op de loonlijst van de eenmanszaak van zijn dochter, waarvoor hij in totaal 1.057 euro loon ontving.

Uit een boekenonderzoek van de Belastingdienst kwam echter naar voren dat de man veel meer werkzaamheden verrichtte. Zo reed hij als vrachtwagenchauffeur voor andere transportondernemingen, verzorgde hij de administratie, stelde hij verkoopfacturen op, beoordeelde en betaalde hij inkoopfacturen en sloot hij namens de onderneming contracten af.

Daarnaast hield hij zich volgens de Belastingdienst bezig met de mesthandel.

De BV factureerde de chauffeurswerkzaamheden aan de opdrachtgevers. De man verklaarde tijdens het boekenonderzoek dat hij geen inkomen op eigen naam wilde genereren, omdat inkomsten vanwege zijn persoonlijke faillissement aan de curator zouden moeten worden afgedragen.

Belastingdienst corrigeert inkomen

De Belastingdienst vond dat een deel van de inkomsten uit de werkzaamheden bij de chauffeur zelf belast moest worden als resultaat uit overige werkzaamheden.

Voor 2019 werd 64.659 euro als resultaat uit overige werkzaamheden aan hem toegerekend. Voor 2020 ging het om 64.581 euro.

Over 2020 stelde de Belastingdienst het verzamelinkomen daardoor vast op 70.107 euro. Daarnaast werd 907 euro belastingrente berekend en kreeg de man een vergrijpboete van 6.828 euro.

De chauffeur was het daar niet mee eens. Volgens hem had hij de werkzaamheden voor de BV verricht en daarvoor geen aanvullende vergoeding ontvangen. De omzet was door de BV gefactureerd en ook in de jaarcijfers van de onderneming verwerkt.

Hof: chauffeurswerk is bron van inkomen

Het gerechtshof oordeelt dat de chauffeurswerkzaamheden van de man een bron van inkomen vormen. Hij nam met zijn werk als chauffeur deel aan het economische verkeer en gezien zijn kwalificaties en ervaring als professionele chauffeur was daarmee volgens het hof objectief een voordeel te verwachten.

Dat hij zelf slechts een klein gedeelte van het daadwerkelijk behaalde voordeel wilde ontvangen, verandert dat volgens het hof niet.

Ook was volgens het hof geen sprake van een gezagsverhouding tussen de BV en de chauffeur. De man verrichtte gedurende heel 2019 en 2020 werkzaamheden voor het bedrijf, terwijl hij slechts vijf maanden bij de onderneming op de loonlijst stond.

Volgens het hof ontstaat uit het boekenonderzoek bovendien het beeld dat de man bij zijn werkzaamheden niet gebonden was aan instructies van het bestuur van de BV.

Vergoeding volgens hof onzakelijk laag

Het hof stelt daarnaast vast dat de vergoeding die de chauffeur voor zijn werkzaamheden ontving onzakelijk laag was.

De man had eerder verklaard ongeveer 800 tot 1.000 uur per jaar voor de BV te hebben gewerkt. Zelfs wanneer van dat aantal uren en het minimumloon voor een halve baan wordt uitgegaan, was de ontvangen vergoeding volgens het hof te laag.

De chauffeur had bovendien verklaard dat hij de werkzaamheden niet gratis zou hebben uitgevoerd als de vader-zoonrelatie er niet was geweest.

Het hof ziet daarin een erkenning dat hij tegen een te lage vergoeding werkte om zijn zoon en dochter als indirecte aandeelhouders van de BV te bevoordelen.

Minimaal 70.000 euro bruto per jaar

Volgens het hof vervulde de man binnen het bedrijf een gecombineerde leidinggevende, commerciÃĢle en uitvoerende functie. Naast het chauffeurswerk stuurde hij de administratie aan, verzorgde hij facturen en contracten en was hij verantwoordelijk voor de mesthandel.

Voor een dergelijke rol zou volgens het hof in zakelijke verhoudingen een vergoeding van minimaal 70.000 euro bruto per jaar passend zijn.

Daarom vindt het hof de door de Belastingdienst toegepaste correcties van 64.659 euro over 2019 en 64.581 euro over 2020 niet te hoog.

Boete van 6.828 euro vernietigd

Op ÊÊn belangrijk punt krijgt de chauffeur wel gelijk. Het hof vernietigt de vergrijpboete van 6.828 euro.

Volgens het hof kon de man bij het indienen van zijn belastingaangiften redelijkerwijs menen dat hij alleen de vergoeding hoefde op te geven die hij daadwerkelijk had ontvangen.

In de bestaande rechtspraak zijn volgens het hof weinig concrete aanknopingspunten te vinden voor de bijzondere omstandigheden waaronder fiscaal mÊÊr moet worden aangegeven dan de daadwerkelijk ontvangen vergoeding.

Daarom was sprake van een zogenoemd pleitbaar standpunt. In dat geval kan niet worden vastgesteld dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat te weinig belasting is geheven.

De navorderingsaanslag en de aangepaste verliesverrekening blijven wel in stand.

Belastingdienst moet kosten vergoeden

Omdat de vergrijpboete wordt vernietigd, verklaart het gerechtshof het hoger beroep gegrond.

De Belastingdienst moet in totaal 188 euro aan griffierecht terugbetalen. Daarnaast krijgt de chauffeur 1.332 euro vergoed voor de kosten van de bezwaarprocedure en 3.736 euro voor de procedures bij de rechtbank en het gerechtshof.

De uitspraak werd op 22 juli 2026 gedaan door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch en werd op 6 oktober 2026 gepubliceerd.

Transportrisico

Van der Lee

Hankook Tyres

MEER NIEUWS