DEN HAAG – Het kabinet wil het hoogste tarief van de vliegbelasting voor langeafstandsvluchten vanaf 2027 verlagen van 74,81 euro naar 59,43 euro per passagier. Daarmee wordt het Nederlandse tarief gelijkgetrokken met het hoogste tarief van de Duitse vliegbelasting. De maatregel moet de kostenpositie van luchtvaartmaatschappijen verbeteren en bijdragen aan een gelijker Europees speelveld.
Dat blijkt uit een Kamerbrief van staatssecretaris Eelco Eerenberg van Financiën en een geactualiseerd onderzoek van CE Delft naar de gevolgen van de afstandsafhankelijke vliegbelasting. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en Financiën.
Vanaf 1 januari 2027 wordt de Nederlandse vliegbelasting afhankelijk van de afstand van de eindbestemming van de passagier. Voor verder gelegen bestemmingen geldt een hoger tarief.
De verlaging van het hoogste tarief is opgenomen in het Belastingplan 2027.
Duitsland verlaagde vliegbelasting
Aanleiding voor het nieuwe onderzoek was onder meer de verlaging van de Duitse vliegbelasting per 1 juli 2026. De Tweede Kamer had het kabinet via een motie gevraagd de eerder berekende gevolgen van de Nederlandse vliegbelasting opnieuw te onderzoeken.
Daarbij moest specifiek worden gekeken naar mogelijke uitwijk van reizigers naar buitenlandse luchthavens en de gevolgen voor de concurrentiepositie van de Nederlandse luchtvaart.
CE Delft onderzocht daarom opnieuw de gevolgen voor Schiphol, Eindhoven Airport, Rotterdam The Hague Airport, Maastricht Aachen Airport en Groningen Airport Eelde.
Minder passagiers door hogere belasting
Volgens het onderzoek daalt het totale aantal passagiers op Nederlandse luchthavens in 2030 door de afstandsafhankelijke vliegbelasting naar verwachting met 0,2 tot 0,4 procent ten opzichte van een situatie zonder de maatregel.
Het aantal vluchten via Nederlandse luchthavens neemt naar verwachting met maximaal 0,2 procent af.
De gevolgen verschillen echter per luchthaven. Vooral Maastricht Aachen Airport en Groningen Airport Eelde zijn relatief gevoeliger voor de maatregel.
Voor Maastricht wordt in 2030 een daling van het aantal passagiers van 0,7 tot 1,1 procent verwacht. Voor Groningen Airport Eelde gaat het om ongeveer 1,5 procent.
Op Eindhoven Airport en Rotterdam The Hague Airport kan het aantal passagiers juist zeer licht toenemen. Volgens de onderzoekers hangt dat samen met de beschikbare capaciteit en de verschuiving naar kortere vliegreizen.
Reizigers wijken uit naar buitenlandse luchthavens
Een deel van de reizigers kiest door de hogere belasting voor een buitenlandse luchthaven. De additionele uitwijk van passagiers die hun reis in Nederland beginnen of eindigen bedraagt volgens het onderzoek ongeveer 1 procent.
Bij korte vluchten ontstaat juist een verschuiving van buitenlandse luchthavens en vervoer over land naar vliegen vanaf Nederlandse luchthavens. Bij middellange en lange vluchten vindt de omgekeerde beweging plaats en wijken reizigers vaker uit naar buitenlandse luchthavens.
Uitwijk naar vervoer over land blijft volgens CE Delft zeer beperkt.
Minder intercontinentale reizen
De nieuwe vliegbelasting verandert ook het reisgedrag. Het aantal vliegreizen naar bestemmingen binnen ongeveer 2.000 kilometer van Amsterdam neemt naar verwachting met circa 1 procent toe.
Het aantal reizen naar bestemmingen verder dan 2.000 kilometer neemt daarentegen met ongeveer 3 procent af.
Daardoor neemt de directe connectiviteit binnen Europa naar verwachting met 0,3 tot 0,5 procent toe, terwijl de intercontinentale connectiviteit met ongeveer 2 procent afneemt.
De afname van het aantal intercontinentale passagiers is volgens CE Delft het grootst op routes naar onder meer Noord-Afrika, Turkije, Canada en de Verenigde Staten.
Minder winst voor luchtvaartmaatschappijen
De afstandsafhankelijke vliegbelasting heeft volgens de onderzoekers ook gevolgen voor de winstgevendheid van luchtvaartmaatschappijen.
CE Delft schat dat luchtvaartmaatschappijen gezamenlijk jaarlijks tussen 44 miljoen en 143 miljoen euro minder winst kunnen behalen ten opzichte van de situatie zonder de maatregel.
Dat komt volgens het onderzoeksbureau vooral doordat luchtvaartmaatschappijen niet alle hogere kosten aan passagiers kunnen doorberekenen. De onderzoekers benadrukken dat deze schatting onzeker is en sterk afhankelijk is van de strategische keuzes van luchtvaartmaatschappijen.
Het kabinet zegt daarom de kostenpositie van luchtvaartmaatschappijen te blijven volgen. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de benchmark van luchthavengelden en overheidsheffingen.
CO2-uitstoot daalt
De afstandsafhankelijke vliegbelasting heeft volgens het onderzoek ook een klimaateffect. De CO2-uitstoot van vertrekkende vluchten vanaf Nederlandse luchthavens daalt naar verwachting met 1,6 tot 1,8 procent.
Dat komt neer op ongeveer 0,1 tot 0,2 megaton CO2 per jaar.
Ook wereldwijd is volgens CE Delft sprake van een lichte daling van de uitstoot, ondanks de uitwijk van een deel van de reizigers naar buitenlandse luchthavens.
Onderzoek rekent nog met hoger tarief
Bij de uitkomsten van het onderzoek geldt wel een belangrijke kanttekening. CE Delft heeft het onderzoek in april en mei 2026 uitgevoerd en daarbij gerekend met de tarieven uit de oorspronkelijke Wet differentiatie vliegbelasting.
De later door het kabinet besloten verlaging van het hoogste tarief voor langeafstandsvluchten is niet in de berekeningen meegenomen.
Het kabinet wil dat tarief vanaf 2027 verlagen van 74,81 euro naar 59,43 euro. Daarmee wordt aangesloten bij het hoogste tarief van de Duitse vliegbelasting.
Volgens het kabinet moet die verlaging een positief effect hebben op de stabiliteit en kostenpositie van luchtvaartmaatschappijen.
Europese vliegbelasting
Het kabinet blijft daarnaast inzetten op een Europese vliegbelasting die in alle EU-landen gelijk is. Daarmee moet worden voorkomen dat grote verschillen in nationale belastingen leiden tot concurrentienadelen en uitwijk naar luchthavens in andere landen.
De effecten van de Nederlandse vliegbelasting worden volgens het kabinet de komende jaren structureel gemonitord.






