UTRECHT – Een automobilist die op de A12 bij Harmelen met hoge snelheid achter op een vrachtwagen botste, is donderdag 8 oktober door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een rijontzegging van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk. Bij het ongeval kwam een 18-jarige inzittende van de personenauto om het leven. De rechtbank acht bewezen dat de bestuurder aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, maar spreekt hem vrij van rijden onder invloed van drugs.
Het ongeval gebeurde op vrijdag 3 oktober 2025 rond 05.21 uur op de A12 vanuit Utrecht in de richting van Woerden. Een Volkswagen Up! met drie inzittenden botste ter hoogte van Harmelen met de rechtervoorzijde tegen de linkerachterzijde van een Volvo-vrachtwagen met oplegger.
Na de botsing kwam de personenauto ongeveer 524 meter verderop naast de snelweg tot stilstand. Een van de passagiers, een 18-jarige jongen die achterin zat, raakte ernstig gewond. Hij overleed twee dagen later, op 5 oktober, in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. Een andere passagier liep nekletsel op.
Volgens het forensisch onderzoek reed de vrachtwagen voorafgaand aan de aanrijding met een constante snelheid van ongeveer 82 kilometer per uur.
Personenauto reed minimaal 149 kilometer per uur
Uit onderzoek naar de elektronische systemen van de personenauto bleek dat een snelheid van 149,19 kilometer per uur was geregistreerd. Volgens de politie moet dit als een ondergrens worden beschouwd, omdat de snelheid waarschijnlijk pas tijdens of na de botsing werd vastgelegd.
Op de plaats van het ongeval gold een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur.
Het Openbaar Ministerie stelde aanvankelijk dat de verdachte ongeveer 160 kilometer per uur had gereden. De rechtbank vond onvoldoende bewijs voor die exacte snelheid.
Een aangepaste berekening op basis van gegevens van een ANPR-camera wees uit dat de automobilist over een afstand van 6,3 kilometer voorafgaand aan het ongeval gemiddeld 141,39 kilometer per uur had gereden.
De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte gedurende een langere periode harder reed dan toegestaan.
Volgens de rechters heeft de bestuurder zijn snelheid onvoldoende aangepast en niet tijdig geremd of uitgeweken om een botsing met de vrachtwagen te voorkomen.
Vrachtwagen moet goed zichtbaar zijn geweest
Bij de beoordeling speelde mee dat het ongeval plaatsvond op een recht stuk snelweg, waar het op dat moment zeer rustig was.
De straatverlichting werkte en de betrokken vrachtwagen was groot en wit van kleur. Volgens de rechtbank moet het voertuig daardoor goed zichtbaar zijn geweest.
Uit het technische onderzoek bleek bovendien dat de vrachtwagen naar alle waarschijnlijkheid verlichting voerde.
Ook waren er geen aanwijzingen dat weersomstandigheden, de infrastructuur of technische gebreken aan een van de voertuigen het ongeval hadden veroorzaakt.
De rechtbank vindt dat het rijgedrag van de automobilist aanzienlijk afweek van wat van een voorzichtig verkeersdeelnemer mag worden verwacht.
Daarmee is volgens de rechters sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en schuld aan een dodelijk verkeersongeval, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.
Van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld in het verkeersstrafrecht, is volgens de rechtbank echter geen sprake.
Lachgascilinders en ballonnen aangetroffen
Na het ongeval trof de politie in en naast de personenauto meerdere dozen met lachgascilinders aan. Ook lagen er gebruikte zwarte ballonnen bij de bestuurdersstoel en werden soortgelijke ballonnen aangetroffen in de kleding van de verdachte.
De automobilist verklaarde zich niets te kunnen herinneren van de aanrijding of de gebeurtenissen daarvoor. Hij ontkende die avond lachgas te hebben gebruikt.
Uit bloedonderzoek bleek dat de verdachte 1,2 microgram THC per liter bloed had.
Dat is minder dan de wettelijke grenswaarde van 3,0 microgram per liter bij enkelvoudig gebruik. Bij combinatiegebruik met andere stoffen geldt een lagere grenswaarde van 1,0 microgram.
De rechtbank kon echter niet vaststellen dat de verdachte voorafgaand aan of tijdens het rijden lachgas had gebruikt.
De aangetroffen cilinders zaten nog in dozen en uit het dossier bleek niet dat een van de cilinders kort voor het ongeval was gebruikt. Ook kon niet worden vastgesteld waar, wanneer en door wie de ballonnen waren gebruikt.
Daarom kon niet worden bewezen dat sprake was van gecombineerd drugsgebruik of dat de verdachte door drugs niet meer behoorlijk kon rijden.
De rechtbank spreekt hem dan ook vrij van rijden onder invloed.
Na dodelijk ongeval nog vijf keer betrokken bij aanrijdingen
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank zwaar meegewogen dat de verdachte na het dodelijke ongeval opnieuw bij meerdere verkeersincidenten betrokken raakte.
Uit de gegevens blijkt dat hij na 3 oktober 2025 nog vijf keer betrokken was bij een verkeersongeval. Sinds 4 juni 2025 was hij in totaal acht keer betrokken bij aanrijdingen.
Volgens de rechtbank laat dit zien dat de verdachte de ernst van zijn rijgedrag onvoldoende inziet.
De rechters vinden het zorgelijk dat het veroorzaken van een dodelijk ongeval hem er kennelijk niet van heeft weerhouden opnieuw verkeersincidenten te veroorzaken.
Ook woog mee dat de verdachte in november 2025 al was veroordeeld voor een drugsgerelateerd strafbaar feit.
Op 6 en 10 januari 2026 werd hij opnieuw aangehouden voor het bezit van lachgas. Daarbij ging het om respectievelijk 12 kilogram en 5,94 kilogram.
De rechtbank acht beide feiten bewezen. De verdachte heeft het bezit van het lachgas ook bekend.
Volgens de rechtbank draagt het bezit van lachgas bij aan criminaliteit en overlast. Daarnaast wijst zij op de gevaren van het vervoer van lachgas zonder de vereiste certificaten en een geschikt vervoermiddel.
OM eiste vijf jaar gevangenisstraf
Het Openbaar Ministerie had een gevangenisstraf van vijf jaar en een rijontzegging van vijf jaar geëist. Daarbij ging de officier van justitie uit van roekeloos rijgedrag.
De rechtbank komt tot een andere beoordeling en acht aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid bewezen.
Voor een dodelijk verkeersongeval met deze mate van schuld geldt volgens de landelijke oriëntatiepunten als uitgangspunt een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van één jaar.
De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Uit een reclasseringsrapport blijkt dat sprake is van schulden, middelengebruik, een negatief sociaal netwerk en problemen bij het overzien van de gevolgen van zijn gedrag.
De verdachte heeft tijdens de rechtszitting spijt betuigd. Die spijt kwam volgens de rechtbank oprecht over.
De reclassering adviseerde begeleiding en behandeling. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou volgens de reclassering het risico op negatieve beïnvloeding kunnen vergroten.
Drie maanden voorwaardelijke celstraf
De rechtbank legt uiteindelijk een taakstraf van 240 uur op. Als de verdachte deze niet naar behoren uitvoert, wordt de straf vervangen door 120 dagen hechtenis.
Daarnaast krijgt hij drie maanden gevangenisstraf geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.
Tijdens die proeftijd moet hij zich onder meer melden bij de reclassering, meewerken aan behandeling, verblijven in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zijn schulden aanpakken en zich inspannen voor werk met een vaste structuur.
Ook moet hij meewerken aan controles op alcohol- en drugsgebruik.
De rijontzegging bedraagt twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk. Ook hiervoor geldt een proeftijd van drie jaar.
De rechtbank kiest bewust voor een langere proeftijd dan de gebruikelijke twee jaar, vanwege de opeenstapeling van verkeersincidenten.
Eerdere voorwaardelijke taakstraf alsnog uitvoeren
De rechtbank heeft daarnaast beslist dat een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf van 15 uur alsnog moet worden uitgevoerd.
Deze straf was op 21 november 2025 opgelegd door de politierechter in Utrecht. De verdachte heeft tijdens de proeftijd opnieuw strafbare feiten gepleegd.
De in beslag genomen lachgascilinders worden aan het verkeer onttrokken.
De rechtbank heeft de vordering van het Openbaar Ministerie om de verdachte direct gevangen te nemen afgewezen.






