DEN HAAG – De Belastingdienst heeft volgens het Gerechtshof Den Haag niet aannemelijk gemaakt dat een binnenvaartschipper tienduizenden euro’s aan contante betalingen heeft ontvangen voor de afgifte van oliehoudend afvalwater. Het hof vernietigt daarom de navorderingsaanslagen over 2012 en 2013 en de bijbehorende rentebeschikkingen. De eerder vernietigde vergrijpboetes blijven eveneens van tafel.
De zaak draait om een schipper die in de betreffende jaren een motortankschip exploiteerde waarmee bedrijfsmatig plantaardige, eetbare olie werd vervoerd. Het schip was 85 meter lang, bijna 9 meter breed en beschikte over twaalf ladingtanks.
De tanks werden regelmatig met warm water gereinigd. Het daarbij ontstane waswater, met daarin restanten van de vervoerde plantaardige olie, werd opgeslagen in zogenoemde sloptanks. Deze zogenoemde slops werden vervolgens opgehaald door een transportbedrijf en per vrachtwagen, soms met aanhangwagen, naar een verwerker gebracht. De olie werd daar uit de slops gehaald en verwerkt tot biobrandstof.
Belastingdienst vermoedde contante betalingen
Als voldoende olie in de slops aanwezig was, vertegenwoordigden deze een positieve waarde en kon de schipper ervoor worden betaald. Volgens de Belastingdienst gebeurde dat niet alleen via de bank, maar ontving de schipper daarnaast bedragen contant.
De fiscus stelde dat deze contante inkomsten niet in de bedrijfsadministratie waren verwerkt en evenmin waren opgegeven in de aangiften inkomstenbelasting over 2012 en 2013. Die conclusie was onder meer gebaseerd op inkoopfacturen en gegevens die tijdens een strafrechtelijk onderzoek bij het transportbedrijf waren aangetroffen.
Voor 2012 ging de Belastingdienst uit van een contante betaling van 4.000 euro. Voor 2013 zou het om 49.700 euro zijn gegaan. Op basis daarvan werd de aangegeven omzet gecorrigeerd en werden navorderingsaanslagen opgelegd.
De schipper heeft steeds ontkend dat hij de betreffende contante bedragen heeft ontvangen.
Transporteur had met administratie gesjoemeld
Het hof komt in hoger beroep tot een ander oordeel dan de rechtbank en zet grote vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de administratie waarop de Belastingdienst zijn conclusies baseerde.
Volgens het hof staat vast dat het transportbedrijf heeft gesjoemeld met percentages en cijfers die betrekking hadden op de hoeveelheid vocht, vuil en olie in de slops. Ook werden percentages op facturen aangepast om de administratie kloppend te maken.
Het hof wijst erop dat er aanwijzingen waren dat controlerende instanties, opdrachtgevers en anderen door het transportbedrijf opzettelijk werden misleid met valse of vervalste documenten. Van betrokkenheid van de schipper bij dat gesjoemel of wetenschap daarvan is volgens het hof niets gebleken.
Bovendien had de Belastingdienst voor de vermeende contante betalingen geen bewijs ingebracht dat niet afkomstig was van het betreffende transportbedrijf.
Contante bedragen mogelijk zelf gehouden
Dat de vermeende contante betalingen terugkwamen in onder meer de administratie van het transportbedrijf, is volgens het hof onvoldoende bewijs dat het geld daadwerkelijk aan de schipper is betaald.
Het hof acht het zelfs waarschijnlijker dat de contante bedragen niet bij de schipper terecht zijn gekomen, maar door het transportbedrijf zelf zijn gehouden. Ook werden geen kwitanties opgesteld voor de vermeende contante betalingen en zijn de betreffende contante facturen niet aangetroffen in de administratie van de schipper.
Daarnaast ontbreken volgens het hof aanwijzingen dat de schipper over de betreffende contante bedragen beschikte. Het hof concludeert daarom dat niet aannemelijk is geworden dat de betalingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Een eventueel bewijsvermoeden is door de schipper voldoende ontzenuwd.
Navorderingsaanslagen vernietigd
Daarmee valt de basis onder de belastingcorrecties weg. Het hof vernietigt de navorderingsaanslagen over 2012 en 2013 en de daarbij behorende rentebeschikkingen. De vergrijpboetes waren eerder al door de rechtbank vernietigd en die beslissing blijft in stand.
De zaak heeft bovendien uitzonderlijk lang geduurd. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn krijgt de schipper aanvullende vergoedingen voor immateriële schade. Uiteindelijk veroordeelt het hof de Staat tot betaling van 2.219 euro en de Belastingdienst tot betaling van 1.781 euro aan immateriële schadevergoeding.
Daarnaast moet de Belastingdienst 4.203 euro aan proceskosten vergoeden en krijgt de schipper het in hoger beroep betaalde griffierecht van 138 euro terug.
Tegen de uitspraak kan nog beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad.






