DELFT – De rechtbank Den Haag heeft het beroep van meerdere ondernemers uit de binnenstad van Delft tegen de invoering van de zero-emissiezone ongegrond verklaard. Daarmee blijft het verkeersbesluit van de gemeente Delft om per 1 januari 2025 een zero-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtwagens in te voeren in stand.
De uitspraak, die op 10 april 2026 is gepubliceerd, draait om ondernemers die betrokken zijn bij een monumentaal pand in de Delftse binnenstad. Zij waren het niet eens met het verkeersbesluit en stelden onder meer dat de gemeente het besluit onvoldoende zorgvuldig had voorbereid, de gevolgen voor ondernemers onvoldoende had onderzocht en dat de nadelige effecten onevenredig zwaar uitpakken.
Gemeente mocht verkeersbesluit nemen
De rechtbank volgt die bezwaren niet. Volgens de rechter heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft het verkeersbesluit zorgvuldig voorbereid, de betrokken belangen voldoende afgewogen en het besluit ook deugdelijk gemotiveerd.
Daarbij wijst de rechtbank erop dat een gemeente beoordelingsruimte heeft bij verkeersbesluiten, zolang duidelijk is welke belangen ermee worden gediend en hoe die zijn afgewogen tegen de belangen van betrokken ondernemers.
Volgens de gemeente is de zero-emissiezone bedoeld om overlast, hinder en milieuschade door verkeer te beperken, zuiniger energiegebruik te bevorderen en de leefbaarheid in de binnenstad te verbeteren.
Geen onevenredig nadeel aangetoond
De ondernemers voerden aan dat zij door de maatregel onder meer worden geconfronteerd met hogere kosten, verlies van concurrentiekracht, verminderde bereikbaarheid en praktische problemen rond elektrificatie en laadinfrastructuur.
De rechtbank sluit niet uit dat ondernemers nadelige economische gevolgen kunnen ondervinden, maar oordeelt dat niet is gebleken dat die gevolgen zo zwaar zijn dat het verkeersbesluit daarom niet genomen had mogen worden. Ook is volgens de rechter niet aannemelijk gemaakt dat ondernemingen door de maatregel niet meer rendabel kunnen worden geëxploiteerd of dat de continuïteit van hun bedrijfsvoering in gevaar komt.
Verder wijst de rechtbank erop dat het verkeersbesluit gepaard gaat met overgangsregelingen, vrijstellingen en ontheffingsmogelijkheden.
Participatie volgens rechter voldoende
Ook het verwijt dat ondernemers onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken, houdt geen stand. De rechtbank stelt vast dat de gemeente het ontwerpverkeersbesluit ter inzage heeft gelegd en dat belanghebbenden zienswijzen konden indienen. Daarnaast was er volgens de rechter al jarenlang overleg met ondernemers, brancheorganisaties en andere betrokkenen over stadslogistiek en de invoering van een zero-emissiezone.
Dat sommige ondernemers zich overvallen voelden door de snelheid van de invoering, maakt volgens de rechtbank niet dat de participatie onvoldoende is geweest.
Venstertijden aangepast
Wel kregen de ondernemers op één punt feitelijk gelijk. De gemeente had in mei 2025 de venstertijden die aanvankelijk aan de zoneborden waren gekoppeld alweer geschrapt, omdat die volgens het college tot onduidelijkheid konden leiden. De zero-emissiezone geldt namelijk 24 uur per dag, zeven dagen per week.
Omdat de gemeente daarmee tegemoetkwam aan een van de beroepsgronden, moet Delft wel de proceskosten van de ondernemers vergoeden. Die vergoeding bedraagt 1.868 euro. Ook moet de gemeente het betaalde griffierecht van 385 euro terugbetalen.
Handhaving met camera’s
De rechtbank ging ook niet mee in de kritiek op handhaving met ANPR-camera’s. Volgens de rechter is niet gebleken dat deze vorm van handhaving in strijd is met privacyregels of de AVG.
Met de uitspraak blijft het verkeersbesluit, zoals gewijzigd in mei 2025, dus overeind. Tegen de uitspraak kan nog hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.




