De rechtbank Oost-Brabant heeft op 28 januari 2026 de schadevordering van een buitenlandse onderneming (in de uitspraak aangeduid als [eiser]) tegen DAF Trucks N.V. grotendeels afgewezen. Het gaat om een zogeheten schadestaatprocedure, die volgde op eerdere procedures tot en met de Hoge Raad.
In die eerdere procedures is vastgesteld dat DAF aansprakelijk is, omdat het bedrijf zich vanaf augustus 2014 al gedroeg alsof de importeursovereenkomst per 30 november 2014 rechtsgeldig was beëindigd. In werkelijkheid liep de overeenkomst pas rechtsgeldig af op 9 januari 2016. In de schadestaatprocedure stond vervolgens de vraag centraal of en in hoeverre DAF daadwerkelijk schade aan [eiser] heeft veroorzaakt.
Achtergrond: samenwerking in Turkije
[eiser] is volgens de rechtbank marktleider in Turkije als trailerfabrikant en daarnaast actief in truck- en trailerservices en verkoop binnen de transportsector. DAF houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van middelzware en zware vrachtwagens.
Partijen werkten samen op basis van een importeursovereenkomst, die [eiser] het exclusieve recht gaf om DAF-trucks in Turkije te importeren en te distribueren. Die overeenkomst dateerde oorspronkelijk uit 1995 en werd voor het laatst gewijzigd op 31 augustus 2009.
Op 19 november 2013 zegde DAF de overeenkomst op en gaf daarbij aan dat deze per 30 november 2014 zou eindigen. DAF beriep zich daarbij op een verkorte opzegtermijn van één jaar vanwege een reorganisatie. [eiser] betwistte dat dit rechtsgeldig was.
DAF zegde de overeenkomst vervolgens op 9 januari 2014 nogmaals op, ditmaal met inachtneming van de reguliere opzegtermijn van twee jaar, waardoor de overeenkomst volgens DAF per 9 januari 2016 zou eindigen.
Gestelde schade: forse claims
In de schadestaatprocedure stelde [eiser] dat zij door het handelen van DAF aanzienlijke schade had geleden. Volgens haar had DAF vanaf 2014 onrust veroorzaakt op de Turkse markt, wat zou hebben geleid tot een sterke daling van de verkoop van DAF-trucks in 2014, 2015 en 2016.
Daarnaast stelde [eiser] dat zij:
- omzet misliep op aanverwante activiteiten zoals service, onderhoud, onderdelenverkoop en financiering;
- een grote order van 500 trucks misliep;
- geen nieuwe importeursrol (onder meer voor Volvo) wist te verkrijgen;
- kosten had gemaakt voor een schaderapport van BDO Turkey.
In totaal vorderde [eiser] in deze procedure € 122.612.075,-, vermeerderd met rente en kosten.
Oordeel rechtbank: geen causaal verband
De rechtbank erkent dat er in 2014 onrust is ontstaan op de Turkse markt rond [eiser] en het merk DAF, en dat dergelijke onrust kan leiden tot lagere verkopen. Toch komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is bewezen dat die onrust is veroorzaakt door het handelen van DAF waarvoor DAF aansprakelijk is gesteld.
Volgens de rechtbank speelde juist het eigen handelen van [eiser] daarbij een doorslaggevende rol. Zo bracht [eiser] op 2 september 2014 zelf een uitgebreide brief naar buiten aan dealers en servicepartners – die ook op haar website werd gepubliceerd – waarin zij de opzegging door DAF “volstrekt onrechtmatig” noemde en aankondigde de activiteiten voort te zetten. Ook bracht [eiser] later eigen persberichten uit waarin zij het conflict met DAF publiekelijk maakte.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] daarmee zelf onzekerheid heeft gecreëerd over de toekomst van het dealernetwerk en het merk DAF in Turkije. Die onzekerheid kan volgens de rechtbank niet aan DAF worden toegerekend.
Ook bij correcte opzegging waarschijnlijk dezelfde uitkomst
Belangrijk is dat de rechtbank bovendien oordeelt dat de schade zich ook zou hebben voorgedaan als DAF direct correct met een opzegtermijn van twee jaar had opgezegd. Er is volgens de rechtbank aanleiding om aan te nemen dat [eiser] ook dan de opzegging niet zou hebben aanvaard en de strijd met DAF openlijk zou zijn aangegaan.
Daarom ontbreekt het vereiste causale verband tussen het onrechtmatig handelen van DAF (het te vroeg vooruitlopen op de eerste opzegging) en de door [eiser] gestelde schade.
Order van 500 trucks en misgelopen importeurschap
De rechtbank wijst ook de stelling af dat DAF onrechtmatig zou hebben gehandeld door een order van 500 trucks niet te leveren. Partijen hadden geen vaste prijsafspraken en moesten per order onderhandelen. Volgens de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat DAF verplicht was deze order te accepteren.
Ook de schadeclaim vanwege het mislopen van een mogelijke importeurs- of dealersrol voor Volvo wordt afgewezen. Volgens de rechtbank is niet vast te stellen dat dit het gevolg was van het handelen van DAF.
Schade van groepsvennootschappen
Daarnaast volgt de rechtbank DAF in het verweer dat [eiser] geen schade kan vorderen die feitelijk is geleden door andere groepsvennootschappen. Die vennootschappen zijn zelfstandige rechtspersonen en geen partij in deze procedure. Eventuele indirecte schade voor [eiser] is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Beperkte vergoeding voor schaderapport
De rechtbank kent wél een beperkte vergoeding toe voor de kosten die [eiser] maakte voor het laten opstellen van een schaderapport door BDO. Van de gevorderde € 103.000,- wijst de rechtbank € 32.700,- toe, te vermeerderen met wettelijke rente.
Verder wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van DAF, ter hoogte van € 17.411,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



