DEN HAAG – De Nederlandse Arbeidsinspectie waarschuwt dat arbeidsveiligheid bij nachtwerk op het spoor onvoldoende aandacht krijgt. In de verkenning Nachtarbeid op het spoor, die vandaag is gepubliceerd, stelt de inspectie dat naast spoorveiligheid ook risico’s als vermoeidheid, lawaai en blootstelling aan gevaarlijke stoffen structureel moeten worden meegenomen.
Spoorwerk vooral ’s nachts
Onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan het spoor vinden grotendeels ’s nachts plaats, zodat het treinverkeer overdag kan doorgaan en de hinder voor reizigers en vervoerders beperkt blijft. In die nachtelijke uren werken monteurs, lassers, kraanmachinisten en werkplekbeveiligers aan en langs het spoor.
Volgens de Arbeidsinspectie ligt de focus bij deze werkzaamheden sterk op het voorkomen van aanrijdingen en elektrocutie. Dat is terecht, maar andere veiligheidsrisico’s blijven onderbelicht. Nachtelijke vermoeidheid, gehoorbescherming bij lawaai en blootstelling aan (gevaarlijke) stoffen brengen eveneens grote risico’s met zich mee.
Veel partijen, weinig regie
De verkenning laat zien dat de organisatie van nachtwerk complex is. Meerdere aannemers werken vaak gelijktijdig op hetzelfde baanvak, ieder met eigen materieel en werkwijzen. Daardoor ontbreekt regelmatig het overzicht over de totale uitvoering van de werkzaamheden. De Arbeidsinspectie wijst erop dat dit de kwetsbaarheid van het werk vergroot, zeker ’s nachts.
Daarbij wordt ook verwezen naar het dodelijke arbeidsongeval in Voorschoten in 2023, waarbij een spoorwegkraan (krol) betrokken was. Dat ongeval onderstreepte volgens de inspectie opnieuw hoe risicovol de omstandigheden op het spoor kunnen zijn.
RI&E schenkt nauwelijks aandacht aan nachtwerk
Uit de verkenning blijkt verder dat slechts één van de twaalf onderzochte bedrijven in de verplichte Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) expliciet aandacht besteedt aan nachtarbeid of samenlooprisico’s. De sector richt zich vooral op spoorveiligheid, terwijl risico’s zoals vermoeidheid, lawaai en het gelijktijdig uitvoeren van verschillende werkzaamheden op één locatie onvoldoende worden onderkend.
Veel zzp’ers, risico op schijnzelfstandigheid
Bijna de helft van de mensen die ’s nachts op het spoor werkt, is zzp’er. Het gaat vooral om functies als monteur baan en werkplekbeveiliger, maar ook om lassers en kraanmachinisten. Bij deze zelfstandigen is er volgens de Arbeidsinspectie weinig zicht op het totale aantal gewerkte uren, zeker wanneer zij overdag ook elders werkzaamheden verrichten. Dat vergroot de kans op oververmoeidheid en onveilige situaties.
Daarnaast signaleert de inspectie mogelijke schijnzelfstandigheid. Veel zzp’ers werken onder gezag van aannemers of werkplekbeveiligingsbedrijven, in vaste ploegen en volgens strakke instructies over plaats, tijd en wijze van werken. Dat lijkt sterk op werken in loondienst, maar zonder de bijbehorende bescherming.
Beperkt zicht op arbeidstijden
Toezicht op arbeidstijden verloopt op papier via het Digitaal Veiligheidspaspoort (DVP). In de praktijk fungeert dit systeem vooral als aanwezigheidsregistratie en niet als betrouwbaar werktijdensysteem. De Arbeidsinspectie noemt diverse knelpunten, zoals het ontbreken van registratie van ander werk overdag, de mogelijkheid tot handmatige correcties en het werken zonder pas.
Sector werkt aan verbeteringen
De Arbeidsinspectie gebruikt de verkenning om de sector te informeren. Samen met ProRail, aannemers, werkplekbeveiligingsbedrijven en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wordt gewerkt aan structurele verbeteringen. Daarbij gaat het onder meer om beter inzicht in arbeidstijden, meer aandacht voor vermoeidheidsrisico’s en meer ruimte voor onderhoud overdag.
Volgens de Arbeidsinspectie hebben werkgevers de verantwoordelijkheid om niet alleen spoorveiligheid, maar ook de arbeidsveiligheid van werknemers en zelfstandigen te borgen die ’s nachts het treinverkeer draaiend houden.



