MAASTRICHT – Een Nederlandse transportonderneming krijgt in kort geding geen voorschot op de schade die zij zegt te hebben geleden na een arbeidsongeval van een chauffeur in Duitsland. De rechtbank Limburg oordeelt dat weliswaar sprake is van aansprakelijkheid aan de zijde van een Duitse logistieke partij, maar dat het spoedeisend belang voor een geldvordering in kort geding onvoldoende is onderbouwd.
Chauffeur aangereden tijdens lossen
De zaak draait om een internationaal transport waarbij een chauffeur van de Nederlandse vervoerder in maart 2024 tijdens het lossen op een Duits bedrijventerrein werd aangereden door een heftruck, bestuurd door een werknemer van de opdrachtgever. De chauffeur liep daarbij letsel op aan zijn voet en raakte tijdelijk arbeidsongeschikt.
De chauffeur was in loondienst van de Nederlandse transportonderneming, die gedurende meerdere maanden het loon moest doorbetalen. Ook na uitdiensttreding betaalde de werkgever nog een aanvullende vergoeding. In totaal stelde het transportbedrijf een schade te hebben geleden van ruim 72.000 euro, onder meer door loondoorbetaling en stilstand van een vrachtwagen.
Nederlandse rechter bevoegd, Nederlands recht van toepassing
De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen. Hoewel het ongeval in Duitsland plaatsvond, deed de schade van de transportonderneming zich in Nederland voor, omdat daar de loondoorbetaling plaatsvond. Ook is volgens de rechtbank Nederlands recht van toepassing.
Niet in geschil is dat het ongeval is veroorzaakt door een fout van een werknemer van de Duitse logistieke partij en dat dit aan die partij kan worden toegerekend op grond van onrechtmatige daad. Een contractuele tekortkoming uit de vervoersovereenkomst acht de rechtbank in dit stadium niet aannemelijk.
Geen spoedeisend belang
De transportonderneming vorderde in kort geding een voorschot van 25.000 tot 30.000 euro op de schade. De rechtbank benadrukt dat bij geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geldt. Naast de aannemelijkheid van de vordering moet ook sprake zijn van een spoedeisend belang.
Volgens de rechtbank heeft de transportonderneming onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Stellingen over liquiditeitsproblemen en uitgestelde investeringen zijn niet met cijfers of stukken gestaafd. Ook speelt mee dat sinds de laatste loondoorbetaling al geruime tijd was verstreken en geen bodemprocedure was gestart.
Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de schadeclaim.
Proceskosten voor transportbedrijf
De vordering wordt afgewezen. De transportonderneming moet de proceskosten van de wederpartij betalen, begroot op ruim 4.200 euro. De uitspraak laat onverlet dat de schadeclaim nog in een bodemprocedure kan worden beoordeeld.



