ROTTERDAM – De rechtbank Rotterdam heeft een boete van 1.500 euro voor het vervoer van een kreupel varken vernietigd. Volgens de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het dier al vóór het transport kreupel was en pijn had.
De boete was opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wegens overtreding van de Wet dieren. Volgens de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) was het dier niet geschikt voor transport omdat het zich niet pijnloos kon voortbewegen.
Kreupelheid vastgesteld in slachthuis
De zaak draaide om een varken dat op 26 maart 2024 werd vervoerd naar een verzamelcentrum en later naar een slachthuis in Lichtenvoorde. Tijdens een antemortemkeuring op 28 maart 2024 constateerde een NVWA-dierenarts dat het dier de linkerachterpoot niet meer belastte en duidelijke tekenen van pijn vertoonde.
Bij nader onderzoek werden onder meer een verdikte poot, botvergroeiingen, bloedingen en erosie van het gewricht vastgesteld. Volgens de toezichthouder wees dit op een pijnlijke ossificatie die al minimaal vier dagen aanwezig zou zijn geweest. De NVWA concludeerde daarom dat het varken al vóór het transport ongeschikt was voor vervoer.
Mogelijk acuut trauma tijdens of na transport
Het transportbedrijf bestreed die conclusie en stelde dat het varken bij het laden geen zichtbare pijn of kreupelheid vertoonde. Volgens een door het bedrijf ingeschakelde dierenarts was wel sprake van een oude gewrichtsaandoening, maar zou het dier daarvan hersteld kunnen zijn geweest.
De deskundige stelde dat mogelijk tijdens het transport, het lossen of later in de stal een nieuw trauma is ontstaan, waardoor het dier alsnog ernstig kreupel werd. De geconstateerde bloedingen zouden volgens hem juist kunnen wijzen op een acuut letsel.
Rechtbank: onvoldoende bewijs
De rechtbank oordeelt dat weliswaar vaststaat dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep, maar dat onvoldoende bewezen is dat dit ook al het geval was voorafgaand aan het transport door de vervoerder. Daarbij speelde mee dat de NVWA-bevindingen pas ongeveer veertig uur na aanvang van het transport zijn gedaan.
Omdat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de vervoerder de overtreding had begaan, was de minister volgens de rechtbank niet bevoegd om de boete op te leggen. De rechtbank vernietigde daarom zowel het besluit op bezwaar als de oorspronkelijke boete.





