ALKMAAR/BLOKKER – De kantonrechter in Alkmaar heeft de arbeidsovereenkomst van een logistiek medewerker van een transportbedrijf uit Blokker ontbonden vanwege een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer krijgt wel een transitievergoeding van € 7.987,08 bruto, maar geen billijke vergoeding, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.
De werknemer, geboren in 1996, was sinds april 2021 in dienst als logistics engineer met een bruto maandsalaris van € 4.467,05 exclusief vakantietoeslag. De verhouding tussen partijen verslechterde in de loop van 2025. Daarbij speelde onder meer mee dat de vader van de werknemer, die werkzaam was binnen een zusterbedrijf van het transportbedrijf, verwikkeld raakte in een arbeidsconflict met de directie en vervolgens met vroegpensioen ging. Ook ontstond een geschil tussen het transportbedrijf en een softwarebedrijf dat was opgericht door de broer van de werknemer.
De werknemer stelde dat hij vanaf juni 2025 op de werkvloer werd buitengesloten, dat bevoegdheden en toegangsrechten zonder goede reden werden afgenomen en dat hij niet langer welkom was bij bepaalde overleggen. In augustus 2025 meldde hij zich ziek en sprak hij in een e-mail van pesten, buitensluiten en een onveilig werkklimaat. Ook uitte hij stevige kritiek op een voorgestelde vertrouwenspersoon.
De werkgever bestreed dat sprake was van stelselmatig pesten of wegwerken. Volgens het bedrijf waren bepaalde wijzigingen onder meer het gevolg van aangescherpt securitybeleid na een overname door een Japans beursgenoteerd concern. Ook stelde het bedrijf dat de werknemer voor bepaalde systemen en rechten die hij miste, die toegang voor zijn functie niet nodig had.
Een mediationtraject bracht uiteindelijk geen oplossing. De mediation werd in november 2025 zonder resultaat beëindigd. Kort daarna oordeelde de bedrijfsarts dat geen sprake meer was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek.
De kantonrechter stelde vast dat beide partijen het er uiteindelijk over eens waren dat terugkeer niet meer reëel was. Daarmee was volgens de rechtbank sprake van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Die eindigt per 1 april 2026.
Geen billijke vergoeding
De werknemer had ook gevraagd om een billijke vergoeding van een jaarsalaris, omdat de werkgever hem volgens hem bewust zou hebben willen wegwerken. De kantonrechter ging daar niet in mee. Volgens de rechtbank is onvoldoende komen vast te staan dat de werknemer stelselmatig ongelijk is behandeld of structureel is weggepest.
Wel oordeelde de rechtbank dat het voorstelbaar is dat het conflict tussen de directie en de vader van de werknemer voor een lastige situatie heeft gezorgd. Het had volgens de kantonrechter op de weg van de werkgever gelegen om daar open en constructief met de werknemer over in gesprek te gaan. Tegelijkertijd heeft ook de werknemer volgens de rechter met zijn e-mails de situatie onnodig op scherp gezet. Beide partijen hebben daarmee bijgedragen aan het ontstaan van de verstoring.
Relatiebeding deels beperkt
Opvallend is dat de rechtbank ook deels meeging in bezwaren van de werknemer tegen het relatiebeding in zijn arbeidsovereenkomst. Dat beding was volgens de kantonrechter erg ruim geformuleerd. Daarom moet het transportbedrijf binnen drie weken een lijst verstrekken van klanten en relaties die onder het beding vallen, tenzij het bedrijf de werknemer schriftelijk ontslaat van zijn verplichtingen uit dat beding.
Daarnaast bepaalde de rechter dat het relatiebeding niet geldt voor klanten en relaties van het transportbedrijf die al klant of relatie waren van een toekomstige werkgever van de werknemer op het moment dat hij daar in dienst treedt.
Verder moet het bedrijf een deugdelijke eindafrekening opmaken, inclusief uitbetaling van opgebouwd vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen. Beide partijen moeten hun eigen proceskosten dragen.




