AMSTERDAM – De Rechtbank Amsterdam heeft in kort geding een loonvordering van een chauffeur tegen zijn werkgever afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat in deze snelle procedure niet eenvoudig kan worden vastgesteld dat de werkgever op dit moment een betalingsverplichting heeft. Dat blijkt uit een vandaag gepubliceerde uitspraak van de rechtbank.
Conflict over uren, loon en ziekte
De werknemer trad op 1 november 2024 in dienst als chauffeur voor 40 uur per week op basis van een jaarcontract, tegen een brutoloon van € 17,99 per uur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing.
De chauffeur meldde zich op 5 mei 2025 ziek en verrichtte sindsdien geen werkzaamheden meer. Volgens de werknemer stopte de werkgever vanaf mei 2025 met het betalen van loon. In het kort geding vorderde hij onder meer betaling van € 59.163,67 bruto aan achterstallig loon over de periode 1 november 2024 tot en met 1 juli 2025, minus het al ontvangen nettoloon van € 19.000, plus wettelijke verhoging en rente. Ook eiste hij loonspecificaties, doorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid en nakoming van re-integratieverplichtingen.
Tachograafgegevens onvoldoende
De werknemer stelde dat hij structureel veel meer uren werkte dan afgesproken (gemiddeld 70,48 uur per week) en verwees naar tachograafafschriften. De werkgever betwistte dat en stelde dat uit die afschriften juist een gemiddelde van 39,90 uur per week zou blijken. De kantonrechter stelde vast dat uit de overgelegde tachograafgegevens in elk geval niet volgt dat gemiddeld 70,48 uur per week is gewerkt. Daarbij speelde mee dat de werknemer bij zijn berekening de term ‘fortnightly total’ (twee weken) onjuist had opgeteld bij ‘week total’.
Omdat de werknemer zijn uren verder niet voldoende had onderbouwd en in kort geding geen ruimte is voor uitgebreide bewijslevering, werd de vordering voor overuren en achterstallig loon afgewezen.
Ziekte en loonbetaling: ‘er speelt meer tussen partijen’
De kantonrechter ging er voorshands vanuit dat de werknemer van 5 mei 2025 tot 23 juni 2025 ziek was, mede omdat de werkgever geen bedrijfsarts had ingeschakeld om dat te laten beoordelen. In beginsel zou loon tijdens arbeidsongeschiktheid dan doorbetaald moeten worden.
Toch werd ook die loonvordering afgewezen, omdat volgens de kantonrechter sprake is van een complexer financieel geschil. De werkgever stelde onder meer dat in totaal € 62.780 aan de werknemer is betaald, waarbij een deel betrekking had op de aankoop van een trekker en chassis van de werknemer, en dat er daarnaast betalingen waren gedaan (zoals voor een APK). Ook stelde de werkgever schade te hebben geleden doordat de werknemer een trekker met veel schade zou hebben achtergelaten en dat dit verrekend zou kunnen worden. Gelet op deze omstandigheden, en omdat de werknemer na herstel geen werkzaamheden meer verrichtte, kon de kantonrechter niet eenvoudig vaststellen of en hoeveel loon nog verschuldigd is.
Geen loonspecificaties, re-integratie of kosten
Omdat de kernvorderingen werden afgewezen, wees de kantonrechter ook de gevraagde loonspecificaties, re-integratieverplichtingen, wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke kosten af. De proceskosten zijn gecompenseerd: beide partijen dragen hun eigen kosten.



