ROTTERDAM – De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam heeft de loonvordering van een vrachtwagenchauffeur tegen een logistiek en transportbedrijf in kort geding afgewezen. Volgens de rechter was onvoldoende sprake van een spoedeisend belang en stond bovendien niet voldoende vast dat de werknemer daadwerkelijk recht had op doorbetaling van loon.
Conflict over ziekmelding en ontslag
De chauffeur trad op 1 april 2025 in dienst bij het transportbedrijf. Vanaf 23 augustus 2025 ontving hij geen salaris meer. Hij stelde dat hij zich ziek had gemeld en dat zijn werkgever op grond van de cao verplicht was het loon door te betalen.
De werkgever betwistte dat sprake was van een ziekmelding en stelde dat de werknemer zelf ontslag had genomen, onder meer vanwege financiële problemen en een mogelijke terugbetaling van een Ziektewetuitkering. Volgens de werkgever zou de werknemer daarna van plan zijn geweest terug te keren naar een eerdere werkgever.
Geen spoedeisend belang aangetoond
In een kort geding moet een geldvordering voldoende aannemelijk zijn en moet sprake zijn van een direct spoedeisend belang. De kantonrechter oordeelde dat daarvan in deze zaak geen sprake was.
De gemachtigde van de werknemer had al geruime tijd geen contact meer met zijn cliënt en de werknemer verscheen bovendien niet op twee zittingen. Daardoor kon volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat de werknemer daadwerkelijk nog afhankelijk was van het gevorderde loon.
Onvoldoende duidelijkheid over dienstverband
Daarnaast stond volgens de rechter onvoldoende vast of het dienstverband nog bestond op het moment dat de werknemer zich ziek meldde. Appberichten tussen partijen boden aanknopingspunten voor de stelling van de werkgever dat de werknemer eerder ontslag had genomen.
Voor een definitief oordeel zou nader bewijs nodig zijn, bijvoorbeeld door getuigenverhoren. Een kort geding is daarvoor niet geschikt. Om die reden werd de loonvordering ook inhoudelijk afgewezen.
Werknemer moet proceskosten betalen
De werknemer werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van in totaal ruim € 1.400.
De zaak kan nog in een bodemprocedure verder worden uitgevochten, waarin uitgebreider bewijs kan worden geleverd over de vraag of het dienstverband daadwerkelijk was beëindigd en of recht bestaat op loondoorbetaling.




