Clicky

dinsdag 24 februari 2026 - 17:07 uur

HomeTRANSPORTNIEUWSWegvervoerChauffeurs reden zonder bestuurderskaart: rechter ziet volledige verwijtbaarheid bij werkgevers

Chauffeurs reden zonder bestuurderskaart: rechter ziet volledige verwijtbaarheid bij werkgevers

‘S-HERTOGENBOSCH – De Rechtbank Oost-Brabant heeft twee transportondernemingen terecht beboet voor overtredingen van de Arbeidstijdenwet (Atw). De bedrijven hadden geen deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden, doordat meerdere chauffeurs zonder gebruik van hun bestuurderskaart vervoerswerkzaamheden verrichtten.

De rechtbank verlaagt de boetes wel met 20 procent, omdat de redelijke termijn is overschreden.

Inspectie en boetes

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) voerde op 30 november 2021 bedrijfsinspecties uit bij beide ondernemingen. Daarbij werd gekeken naar de naleving van de rij- en rusttijden over de periode van 3 mei 2021 tot en met 30 mei 2021. De bevindingen zijn vastgelegd in boeterapporten van 30 juni 2022.

Uit het onderzoek bleek dat:

  • bij één onderneming vijf chauffeurs op tien momenten zonder bestuurderskaart reden;
  • bij de andere onderneming twee chauffeurs dit op zes momenten deden.

Daardoor ontbrak een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden, zoals vereist op grond van artikel 4:3 van de Arbeidstijdenwet.

De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde daarop op 16 april 2024 boetes op van € 43.500 en € 21.750. Per overtreding werd € 4.400 in rekening gebracht, waarna toepassing van het boetemaximum volgde.

Verwijt volledig bij ondernemingen

De bedrijven betwistten de overtredingen zelf niet, maar voerden aan dat hen geen verwijt treft. Volgens hen wisten zowel de hoofdplanner als de betrokken chauffeurs dat een bestuurderskaart verplicht was, maar waren zij daarin nalatig geweest. De hoofdplanner is inmiddels uit dienst.

De rechtbank volgt dat verweer niet. De wettelijke verplichting om een juiste registratie te voeren rust op de werkgever, niet op individuele werknemers. Dat de verantwoordelijkheid intern was gedelegeerd, ontslaat de ondernemingen niet van hun toezichtplicht.

Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de bedrijfsprocessen zodanig waren ingericht dat alles was gedaan om fouten te voorkomen. Van structurele controle op de registratie of op het werk van de hoofdplanner was bijvoorbeeld geen sprake. Ook het subsidiaire betoog dat slechts sprake zou zijn van verminderd verwijt, slaagt niet.

Redelijke termijn overschreden

Partijen waren het erover eens dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM was overschreden. In geschil was vooral het moment waarop die termijn begon te lopen.

De rechtbank oordeelt dat de termijn is aangevangen rond 27 juli 2022, toen de inspectierapporten aan de ondernemingen werden toegezonden. In die rapporten stond zonder voorbehoud dat een voornemen tot boeteoplegging zou volgen. Daarmee mochten de bedrijven verwachten dat een boete zou worden opgelegd.

De redelijke termijn van twee jaar verstreek op 27 juli 2024. Ten tijde van de uitspraak (13 februari 2026) was sprake van een overschrijding van ongeveer één jaar en zeven maanden.

Dat leidt tot een matiging van de boetes met 20 procent.

Nieuwe boetebedragen

De rechtbank vernietigt de eerdere besluiten voor wat betreft de hoogte van de boetes en stelt deze zelf vast op:

  • € 34.800 voor de eerste onderneming;
  • € 17.400 voor de tweede onderneming.

Daarnaast moet de minister de betaalde griffierechten vergoeden en een proceskostenvergoeding van € 467 per onderneming betalen.

De kern van de uitspraak is dat de verantwoordelijkheid voor correcte registratie van arbeids- en rusttijden volledig bij de transportondernemingen ligt. Delegatie aan personeel zonder adequaat toezicht biedt geen bescherming tegen boetes op grond van de Arbeidstijdenwet.

Transportrisico

Van der Lee

MEER NIEUWS

Transportrisico

Van der Lee

Vraag & Aanbod

×