CAPELLE AAN DEN IJSSEL – Met de uitbetaling van de eerste lonen van 2026 worden duidelijke verschillen zichtbaar tussen sectoren in zowel het nettoloon van werknemers als de loonkosten voor werkgevers. Met name in het goederenvervoer blijft de nettoloonstijging achter, terwijl werkgevers juist worden geconfronteerd met een stevige kostenstijging.
Bij een modaal inkomen van € 3.704 per maand stijgt het nettoloon in veel sectoren met € 19 tot € 26 per maand. In het goederenvervoer blijft die stijging beperkt tot € 18 netto per maand. Deze lagere toename hangt samen met aanpassingen in de pensioenregeling: per 2026 is het loon waarover maximaal pensioen mag worden opgebouwd verhoogd, waardoor over een groter deel van het inkomen pensioenpremies worden ingehouden. Dat drukt het nettoresultaat voor werknemers.
Ook bij een inkomen van twee keer modaal (€ 7.407) pakt de stijging in het goederenvervoer ongunstig uit. Waar werknemers in andere sectoren gemiddeld € 32 tot € 37 netto per maand extra ontvangen, blijft de stijging in het goederenvervoer eveneens beperkt.
Werknemers met het wettelijk minimumuurloon profiteren het meest van de loonmaatregelen. Door de verhoging van het minimumuurloon van € 14,40 naar € 14,71 per uur stijgt het nettoloon bij een 36-urige werkweek met € 46 tot € 65 per maand, afhankelijk van de sector. In het goederenvervoer ligt deze stijging in de middenmoot.
Loonkosten werkgevers fors omhoog in goederenvervoer
Voor werkgevers in het goederenvervoer zijn de effecten aanzienlijk groter. Bij werknemers met een modaal inkomen dalen de loonkosten licht door een lagere inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). In het goederenvervoer gaat het om een daling van € 14 per maand.
Daar staat tegenover dat bij werknemers met een inkomen van twee keer modaal de loonkosten juist fors stijgen. In het goederenvervoer nemen de werkgeverslasten toe met € 97 per maand, een van de grootste stijgingen van alle sectoren. Deze toename wordt veroorzaakt door het hogere maximumpremieloon voor werknemersverzekeringen en Zvw, in combinatie met hogere pensioengrondslagen.
Ook bij minimumlonen stijgen de loonkosten voor werkgevers in het goederenvervoer, mede door de indexatie van het minimumloon en de doorwerking daarvan in sectorale premies en sociale fondsen.
Pensioen en cao-afspraken doorslaggevend
De verschillen tussen sectoren worden vooral bepaald door pensioenregelingen, werkgeverspremies en cao-afspraken. Elke sector kent eigen afspraken over pensioenopbouw en sociale fondsen, wat leidt tot uiteenlopende netto-effecten voor werknemers en kostenontwikkelingen voor werkgevers. De Wet toekomst pensioenen, die sinds juli 2023 van kracht is, versterkt deze verschillen. Pensioenfondsen mogen tot uiterlijk 1 januari 2028 overstappen naar het nieuwe stelsel, maar sommige sectoren hebben die stap al per 2026 gezet.
Voor het goederenvervoer betekent dit dat werknemers relatief minder profiteren van de loonmaatregelen, terwijl werkgevers juist worden geconfronteerd met aanzienlijk hogere loonkosten.



