DEN HAAG – Tussen de recente uitspraken verscheen vandaag vanuit de rechtspraak een opvallende klassieker: een arrest van de Hoge Raad uit 1960 over collectieve werkweigering en boycotacties in de Rotterdamse haven. Het arrest laat zien dat discussies over stakingen, solidariteitsacties en verstoringen in de logistieke keten allesbehalve nieuw zijn.
Boycot van ‘goedkope vlaggen’-schepen
De zaak speelde eind jaren vijftig in de Rotterdamse haven. Werkgevers en stuwadoorsbedrijven probeerden via de rechter te voorkomen dat havenarbeiders gedurende enkele dagen zouden weigeren om schepen te laden en lossen die onder zogenoemde goedkope vlaggen voeren, zoals Panama, Liberia en Honduras. Voor deze schepen gold dat er geen door de internationale vakbeweging erkende collectieve arbeidsovereenkomst was afgesloten.
De actie maakte deel uit van een internationale campagne van vakorganisaties om aandacht te vragen voor de arbeidsomstandigheden van zeelieden op deze schepen. Vakbonden riepen hun leden op tot een tijdelijke boycot en verklaarden bereid te zijn de financiële gevolgen voor hun leden te dragen.
Lagere rechters: actie ‘redelijk en beperkt’
De voorzieningenrechter in Rotterdam en later het gerechtshof in Den Haag gaven de werkgevers aanvankelijk geen gelijk. Zij oordeelden dat het ging om een kortdurende, aangekondigde actie met een maatschappelijk doel en dat onvoldoende was aangetoond dat de schade voor de havenbedrijven zo groot zou zijn dat ingrijpen noodzakelijk was.
Hoge Raad: arbeidsovereenkomst blijft uitgangspunt
De Hoge Raad zette in 1960 een duidelijke juridische lijn neer. Ook bij collectieve acties blijft volgens de hoogste rechter het uitgangspunt de individuele arbeidsovereenkomst. Het weigeren van overeengekomen werkzaamheden is in beginsel wanprestatie tegenover de werkgever.
Alleen onder uitzonderlijke omstandigheden kan zo’n werkweigering gerechtvaardigd zijn, namelijk wanneer van werknemers in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij het werk voortzetten. Bij acties die niet zijn gericht op de arbeidsverhouding met de eigen werkgever, maar op een doel daarbuiten, ligt die drempel extra hoog.
Volgens de Hoge Raad was in deze zaak onvoldoende sprake van zodanige algemene belangen of zedelijke beginselen dat daarmee de contractuele verplichtingen tegenover de havenbedrijven mochten worden doorbroken.
Ook vakbond kan onrechtmatig handelen
De Hoge Raad oordeelde daarnaast dat een vakbond onrechtmatig kan handelen wanneer zij oproept tot een werkweigering die niet kan worden gerechtvaardigd. Door werknemers aan te zetten tot contractbreuk kan sprake zijn van een inbreuk op de rechten van werkgevers.
Het arrest van het gerechtshof werd daarom vernietigd. De zaak werd terugverwezen, omdat nog moest worden beoordeeld of een tussen partijen geldende collectieve arbeidsovereenkomst mogelijk ruimte bood voor de actie.
Tijdbeeld: proceskosten in guldens
Een opvallend detail uit het arrest onderstreept het tijdsbeeld. De Hoge Raad veroordeelde de verweerders in de cassatiekosten, begroot op 54 gulden en 15 cent aan verschotten en 1.200 gulden aan salaris – bedragen die inmiddels alleen nog in archieven voorkomen.
Nog altijd relevant voor transport en logistiek
Hoewel het arrest meer dan zestig jaar oud is, raakt het aan thema’s die ook nu spelen in transport en logistiek: de grenzen van collectieve acties, solidariteit over landsgrenzen heen en de vraag wie uiteindelijk de gevolgen draagt wanneer het werk stilvalt.
Dat deze uitspraak vandaag opnieuw onder de aandacht komt, laat zien dat oude rechtspraak soms verrassend actueel kan zijn.



