NIJMEGEN – De rechtbank Gelderland heeft Royal Enterprise Transport B.V. (RET) uit Nijmegen veroordeeld om € 201.304,09 terug te betalen aan de curator in het faillissement van een voormalig transportondernemer met twee eenmanszaken, waaronder een pakketvervoerder. Volgens de rechtbank zijn betalingen die vlak vóór het faillissement naar RET zijn overgemaakt paulianeus en daardoor terecht door de curator vernietigd.
Betalingen vlak voor faillissement
De gefailleerde exploiteerde vanaf april 2016 twee eenmanszaken. Eén daarvan was een transportbedrijf dat zich richtte op het verzamelen en bezorgen van vooral pakketpost en werkte daarbij met vervoerders (zzp’ers). Opdrachtgevers waren onder meer DHL en Packs Special Care B.V.
In 2021 werd daarnaast een groep vennootschappen opgericht, waaronder RET. RET is een transportbedrijf (goederenvervoer over de weg) en vestigde zich per 1 oktober 2023 op hetzelfde adres als de voormalige eenmanszaak.
In de periode 9 juni 2023 tot en met 9 september 2023 ontving de gefailleerde van DHL en Packs samen € 293.052,78. In diezelfde periode werd vanaf zijn bankrekening in totaal € 201.304,09 overgeschreven naar RET.
Curator: benadeling schuldeisers
De curator stelde dat de overschrijvingen naar RET schuldeisers benadeelden en riep op 8 mei 2024 buitengerechtelijk de vernietiging van de betalingen in (faillissementspauliana). RET wees dat van de hand en stelde dat het ging om betalingen voor transportactiviteiten die RET in opdracht van de gefailleerde had uitgevoerd, met facturen ter hoogte van hetzelfde bedrag.
De schuldenlast in het faillissement was aanzienlijk: de schuld aan het pensioenfonds liep op tot ruim € 63.000 en er was daarnaast een belastingschuld van meer dan € 700.000. De totale preferente en concurrente schulden bedroegen volgens het vonnis ruim € 1.073.000.
Rechtbank: rangorde doorbroken, wetenschap aanwezig
De rechtbank oordeelt dat door de betalingen aan RET de paritas creditorum (gelijke behandeling van schuldeisers) is doorbroken: RET werd als (veronderstelde) concurrente schuldeiser met voorrang betaald, waardoor (preferente) schuldeisers zich niet meer op dat bedrag konden verhalen.
RET betoogde dat schuldeisers juist profiteerden omdat door RET’s inzet een bedrag van € 91.748,69 zou zijn “overgebleven” voor schuldeisers. De rechtbank vond echter onvoldoende onderbouwing dat het noodzakelijk was dat RET de werkzaamheden overnam of dat zonder die constructie geen opbrengsten zouden zijn binnengekomen. Ook strookten de gestelde afspraken (onder meer over een marge) volgens de rechtbank onvoldoende met het betalingspatroon.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat er al op 24 januari 2023 een faillissementsverzoek was ingediend door het Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg (destijds vordering € 57.823,61). De gefailleerde vroeg later WSNP aan, maar daarmee bleef de faillissementsaanvraag volgens de rechtbank aanhangig. Omdat de gefailleerde in de relevante periode bestuurder was (en feitelijk de leiding had), rekent de rechtbank die wetenschap ook toe aan RET.
Terugbetaling en proceskosten
De rechtbank verklaart voor recht dat de betalingen van in totaal € 201.304,09 door de curator buitengerechtelijk zijn vernietigd en veroordeelt RET tot terugbetaling van dat bedrag aan de curator. RET moet daarnaast € 8.027,12 aan proceskosten betalen (met wettelijke rente als niet tijdig wordt betaald). De gevorderde beslagkosten worden afgewezen omdat die volgens de rechtbank onvoldoende waren onderbouwd.



